vrijdag 30 november 2007

CXLIII

Op het vliegveld aangekomen leek de belangstelling van de twee agenten voor Tamar en Thomas nog verder af te nemen. Eén agent liep meteen naar een groepje taxichauffeurs en begon een praatje, de ander opende de achterbak van de auto maar leek niet van plan de koffers eruit te tillen, hij bleef dromerig in de verte staren en ondernam verder geen enkele actie. Thomas pakte de koffers uit de auto, draaide zich resoluut om naar de dromerige agent en stak zijn hand uit ‘Nou, heel erg bedankt voor deze service. We zijn vereerd’. Hij duwde Tamar richting de agent die ook haar hand uitstak en vriendelijk knikte. Thomas stak zijn hand op naar de agent bij de taxichauffeurs en zwaaide uitbundig. Hij beende vervolgens zonder omkijken de vertrekhal in. Tamar moest moeite doen hem bij te houden en huppelde bijna achter hem aan. Thomas liep regelrecht naar de incheckbalie en keek toen achterom. Door de grote ruiten zag hij nu beide agenten bij de taxichauffeurs staan. Ze hadden geen enkele interesse meer in hen, zo leek het. Thomas liep nu met koffer en al dieper de hal in en ging op een bankje zitten. ‘We wachten hier even tot ze weg zijn en gaan dan terug. Kun jij je ticket omboeken?’. Tamar keek hem verbijsterd aan. Had die man dan geen enkel idee van de echte wereld? Wist hij niet dat normale mensen een baan hadden en elke ochtend achter hun bureau werden verwacht? ‘Ik weet niet wat je van plan bent, maar ik moet morgen werken. Ik kan onmogelijk nog langer hier blijven. Niet iedereen heeft zo’n flexibel luizenbaantje als jij’. Thomas leek volkomen verrast door deze reactie. Hij trok zijn wenkbrauwen op en wist duidelijk niet wat te zeggen. ‘Ok, dan blijf ik wel en ga jij werken’.

woensdag 28 november 2007

CXLII

De agenten waren wel zo galant om hun koffers netjes aan te pakken en achterin de politieauto te leggen.
‘We zijn wel weer interessant,’ zei Thomas, terwijl hij naar een paar nieuwsgierige mensen wees, die voor de ingang van het hotel naar hen stonden te kijken. ‘Overal waar we heen gaan, worden we bekeken.’
Tamar keek nauwelijks geïnteresseerd in de richting waarin hij wees. Toen werden haar ogen groot. ‘Kijk!’ riep ze. Thomas zag niets bijzonders.
‘Wat is er?’ vroeg hij, terwijl ook de aandacht van de agenten getrokken was door haar uitroep.
‘Dat was één van die kerels die mij aanviel. Hij stond daar op de hoek.’
‘Waar dan?’
‘Nu is hij weg. Ik zag hem duidelijk!’
Snel vertaalde Thomas haar woorden in het Engels. De agenten zeiden niets terug, maar begonnen met elkaar te overleggen.
‘Pak hem dan!’ zei Tamar opgewonden, terwijl ze één van de agenten een por gaf. Dat vond hij niet leuk. ‘We hebben opdracht om u naar het vliegveld te brengen,’ sprak hij vormelijk. ‘Stapt u alstublieft in.’
Ze hadden weinig keus. Tamar bleef achterom kijken totdat het hotel uit het zicht was verdwenen, maar de aanvaller zag ze niet meer.
‘Wie zijn die gasten toch? vroeg Tamar. ‘En wat willen ze van ons?’
‘De vrienden van Paolo? Geen idee. Ik ga wel een hartig woordje met Wijnand spreken als we terug zijn. Het was nogal naïef van hem om te denken dat hij die Paolo kon vertrouwen. Maar goed dat we ontsnapt zijn. Stel je voor wat er anders had kunnen gebeuren.’
‘Liever niet,’ antwoordde Tamar, ‘Ik krijg al koude rillingen als ik eraan denk. Ik hoop maar dat met Hannah alles goed is.’
Thomas’ maag trok even samen. ‘Vast wel,’ probeerde hij geruststellend te doen. ‘Ze is gewoon met haar spullen vertrokken.’

dinsdag 27 november 2007

CXLI

Eerst werden ze in een politieauto naar het hotel gebracht. De agenten die hun begeleidde bleven beneden in de lobby wachten. Waarschijnlijk vond hij hen niet vluchtgevaarlijk. Of misschien wisten ze dat er geen enkele andere weg uit het hotel was dan door de lobby. Thomas en Tamar hadden het er de avond ervoor nog over gehad dat als er brand zou uitbreken in het hotel ze alleen aan de voorkant het raam uit zouden kunnen springen, want een achterkant met binnenplaats of een brandtrap leek het hotel niet te hebben.
Doordat de agenten beneden bleven wachten hadden Tamar en Thomas de gelegenheid met elkaar van gedachten te wisselen. Ze probeerden er samen achter te komen wat nu hun beste zet zou zijn. Was weggaan wel een oplossing? Eigenlijk zouden ze moeten blijven. Waarom wilden deze agenten hen zo graag op het vliegtuig zetten? Ze waren geen verdachten in een zaak, je zou dus zeggen dat ze vrij waren te gaan en staan waar ze wilden. Maar DiMatteo dacht daar onder het mom van ‘bescherming’ blijkbaar anders over. Na een kleine twintig minuten hadden ze alles in hun koffers zitten en nog steeds geen oplossing gevonden. ‘We denken wel verder na in de auto’ zei Thomas. Volgens mij kunnen we wel af en toe wat tegen elkaar zeggen, ze verstaan ons toch niet. In de lobby bleken beide agenten gefascineerd naar een televisiescherm te staren. Er was een wielerwedstrijd op en ze leken Thomas en Tamar niet eens op te merken. ‘Wat een stelletje flutagenten zeg. Ik had zo naar buiten kunnen lopen’ dacht Tamar. Thomas moest hen zelfs aanspreken om te zorgen dat ze zich van het beeld losscheurden. Ze schokken beiden op en liepen naar de politieauto die, dubbel geparkeerd voor het hotel, de nodige verkeerschaos had veroorzaakt.

maandag 26 november 2007

CXL

DiMatteo blafte terwijl hij weer instapte tegen zijn assistant dat die de sirene aan moest zetten. De agent deed gehoorzaam wat hem opgedragen werd en gooide de auto in de achteruit om uit de file te raken. DiMatteo zelf pakte een seinbord onder zijn stoel vandaan en begon, half uit het raam hangend, naar andere weggebruikers te zwaaien dat ze aan de kant moesten. De agent draaide de wagen in een ondoorzichtige manoeuvre, waarvan Thomas’ handen begonnen te zweten en ze reden met blèrende sirenes tegen het verkeer in de file uit.
‘Dat was een leuk ritje,’ zei DiMatteo cynisch toen ze weer bij het bureau waren. En zo waren ze, toen Thomas op zijn horloge keek, na driekwartier weer terug op dezelfde plaats waarvan ze overhaast vertrokken waren: DiMatteo’s kantoor. Een irritante reeks piepjes uit Tamar’s blackberry gaf aan dat er een bericht binnenkwam. De inspecteur keek geïrriteerd toe hoe ze de boodschap las. Ze trok een gezicht en liet Thomas het bericht lezen.
"Go6dness, are ynu alrigtg?what dods the police saz?"
Thomas grijnsde. ‘Hij moet nodig leren hoe hij zo’n ding gebruikt.’
De inspecteur schraapte ongeduldig zijn keel. ‘Van wie is dat bericht?’
‘Een Engelse vriend van ons,’ antwoordde Tamar voor hen beiden, ‘hoogleraar in Oxford. Het heeft niets hiermee te maken.’
DiMatteo scheen het te accepteren. Hij leek met de hele situatie in zijn maag te zitten. Blijkbaar had hij geen idee hoe hij nu verder moest met deze lastige Hollanders.
‘Hoe laat vertrekt uw vliegtuig?’ vroeg hij beleefd.
‘Kwart over vijf vanaf Fiumicino.’
DiMatteo knikte. ‘Oké. Ik laat u gaan. U krijgt wel begeleiding van twee van mijn agenten. Zij brengen u naar uw hotel, u checkt uit en zij brengen u naar het vliegveld. Tenslotte willen we geen risico lopen dat u nogmaals wat overkomt.’

vrijdag 23 november 2007

CXXXIX

Ze zaten weer achterin de politieauto. DiMatteo leek zijn goede humeur behoorlijk te zijn verloren, hij zat naast de jonge agent en snauwde af en toe iets naar de arme man als een verkeersmanoeuvre hem niet beviel. Het werd alleen maar erger toen ze bij het Colosseum in een file terecht kwam. Blijkbaar was er een ongeluk gebeurd want het verkeer stond muurvast en mensen stonden zelfs naast hun auto te wachten. DiMatteo begon te vloeken, stapte uit de auto, smeet de deur dicht en beende tussen de auto’s door naar de plek waar de opstopping waarschijnlijk was begonnen. Tamar, Thomas en de jonge politieagent bleven achter in de auto. Tamar bestudeerde het Colosseum dat links van hen als een enorme kolos tegen de blauwe lucht stond. Onder de bogen zag ze mensen lopen, toeristen die foto’s maakten. De jonge agent vond het blijkbaar te warm worden in de auto en ging naast de auto staan met zijn deur wagenwijd open. En kwam een koel briesje de auto in. ‘Wat denk jij dat er gebeurd is?’ vroeg Tamar. Thomas schudde. ‘Ik denk niet dat het goed is. Ik vrees het ergste. Haar spullen zijn weg. Haar auto staat er nog. Misschien is ze meegenomen’. Tamar probeerde al zittend haar blackberry uit haar broekzak te halen. Ze opende haar e-mail programma. ‘Colin kunnen we nog wel vertrouwen toch?’ Thomas haalde zijn schouders op. Snel probeerde ze een paar zinnen te tikken. ‘Zitten in politieauto. We zijn aangevallen maar wisten te ontsnappen. Hannah is zoek. Haar huis is leeg en haar auto is gevonden.. Ik vertrouw niemand meer. Hoe lossen we dit op zonder Paolo’s en Luigi’s?’ Ze drukte op ‘send’ en borg het apparaat weer op. Net op tijd want een stomende DiMatteo kwam richting de auto gelopen.

donderdag 22 november 2007

CXXXVIII

Om tien over één keek inspecteur DiMatteo voor de zoveelste keer verveeld op zijn horloge. Opnieuw kwam er een licht verwijtende blik in hun richting. Thomas en Tamar waren in het middenschip in een kerkbank gaan zitten, met uitzicht op de ingang. Inspecteur DiMatteo liep wat heen en weer, terwijl hij deed alsof hij het prachtige plafond bestudeerde. Vlakbij hen hield een andere agent in burger met een foldertje in zijn hand de ingang in de gaten.
'Denk je dat ze nog komt?' fluisterde Tamar tegen Thomas. Hij haalde zijn schouders op. 'Geen idee. Onze politievrienden denken van niet, in elk geval.' 'Waar zou ze heen zijn gegaan?' Ook hier moest hij het antwoord schuldig blijven.
'Ik bedoel,' ging Tamar verder. 'ze heeft blijkbaar haar kleren meegenomen, maar haar auto laten staan.' 'Ze zal het juweel ook wel hebben meegenomen,' voegde Thomas er somber aan toe. 'Mits ze die thuis had liggen.' 'Weet je, ik snap er nog steeds niks van. Als die Paolo en zijn vrienden wisten bij welke garage Hannah haar auto had staan, dan hadden ze toch ook wel achter haar adres kunnen komen? Waarom moesten ze ons dan hebben?' 'Ik weet het niet,' gromde hij terug. 'Dat zit al de hele tijd in mijn hoofd. En ik kom er maar niet achter waarom wij een doelwit zouden zijn.' DiMatteo beende met grote passen naar hen toe. 'Uw zus is niet verschenen,' zei hij tegen Tamar. 'Denkt u dat het zin heeft nog langer te wachten.' Uit de intonatie van de inspecteur bleek dat hij het niet als een vraag beschouwde. 'Tien minuten?' vroeg Thomas. Hij hoopte vurig dat Hannah alsnog op zou duiken. De situatie begon uit de hand te lopen. Zijn zoektocht naar Hannah was geen academische vingeroefening, geen half gemeend spel. Het was gevaarlijk.

woensdag 21 november 2007

CXXXVII

De verbazing was van de gezichten van Tamar en Thomas af te lezen. DiMatteo leek inwendig te grinniken. ‘Jullie hebben Hannah dus niet gevonden?’ vroeg Tamar. ‘Nope’ zei die Matteo terwijl hij weer aan zijn bureau ging zitten. ‘Ik moet mijn werk bellen’ mompelde Tamar in de richting van Thomas. Ze wilde opstaan en de deur uitlopen maar DiMatteo stond abrupt op van zijn stoel en vroeg wat ze ging doen. “I have to call to London, to my boss. He expects me at work again tomorrow’. ‘It can wait’ zei DiMatteo resoluut terwijl hij naar Tamar’s stoel wees. Ze schuifelde weer terug naar haar plek. Thomas zat in gedachten verzonken naast haar en bestudeerde de linoleumvloer. ‘Ze is in de San Giovanni’ mompelde hij. ‘Ja!’ Tamar veerde op ‘Ze is in de San Giovanni!’ zei ze, nu tegen DiMatteo. Tamar legde het hele verhaal van het kaartje bij de bestuurderstoel van de auto uit. Vertelde dat ze niet wilden overvallen. Dat dit kaartje de beste oplossing leek. Dat San Giovanni een mooie plek leek om af te spreken. DiMatteo leek tegelijkertijd geïnteresseerd en wantrouwig. ‘Dus als het goed is, is ze over..’ hij keek op zijn horloge ‘…een kwartier bij de San Giovanni?’ Tamar knikte enthousiast met haar hoofd. ‘Als ze tenminste wil komen. Maar na het hele gebeuren met dat busje verwacht ik haar daar echt wel. Ze heeft ons ongetwijfeld gezien’. DiMatteo leek na te denken. Toen wenkte hij de agent die achter de glazen deur leek te wachten. DiMatteo gaf wat bevelen in rap Italiaans en de agent spoedde weg. ‘Oké. We gaan. Maar als we terug zijn, zijn wij nog niet uitgepraat’. Hij gebaarde naar Thomas en Tamar dat ze op moesten staan en achter hem aan moesten lopen.

dinsdag 20 november 2007

CXXXVI

DiMatteo luisterde beleefd naar Tamars uitleg.
‘En u had deze mannen nog nooit eerder gezien?’
Thomas hoopte dat ze deze vraag op de juiste manier zou beantwoorden en hij was opgelucht toen hij haar hardop ‘nee’ hoorde zeggen.
De politieman tuitte opnieuw zijn lippen. ‘Ook niet als u er over nadenkt? Ook niet eerder tijdens uw verblijf in Rome iets verdachts meegemaakt? U hebt niet het gevoel dat u gevolgd werd of in de gaten gehouden?’
Tamar had actrice moeten worden, vond Thomas. Ze wist niet alleen de volmaakte onschuld uit te hangen, maar door de intonatie van haar antwoorden gaf steeds meer aan dat ze de vragen van de inspecteur maar onzinnig vond.
De mobiele telefoon van DiMatteo’s ging af en hij voerde een kort gesprek met de beller.
‘Het busje is leeg teruggevonden,’ zei hij, terwijl hij zijn mobieltje dichtklapte. ‘Gestolen uiteraard. Een oplettende oudere dame heeft een paar mannen over zien stappen in een andere auto. Er wordt nu naar hen gezocht.’
‘Kunnen we nu gaan?’ vroeg Tamar liefjes. ‘Ik weet zeker dat u die criminelen pakt. En we vliegen vanavond terug naar Nederland.’
DiMatteo deed zijn mond open om te antwoorden, maar zijn blik dwaalde af richting de deur. Thomas en Tamar draaiden hun hoofd en zagen een agent naar DiMatteo wenken. De inspecteur verontschuldigde zich. Het duurde bijna tien minuten voor hij terug was.
‘Het appartement van Hannah Mendel, uw zus en uw ex-verloofde, is verlaten. De Mercedes staat er wel voor de deur, maar bijna al haar persoonlijke spullen zijn weg. Ik begin steeds nieuwsgieriger te worden naar deze zaak,’ zei DiMatteo opgewekt. ‘En ik dacht nog wel dat dit een maandag vol routine zou worden.’
Hij ging weer zitten.
‘Dus, mevrouw Mendel, ik denk dat u beiden nog even hier te gast blijft.’

maandag 19 november 2007

CXXXV

Tamar keek Thomas aan en Thomas keek Tamar aan. Een aangezien niemand na anderhalve minuut iets zei nam Tamar het woord. Ze haalde diep adem en begon ‘ik heb een zus. Hannah. Ze is een paar jaar ouder. En nogal eigenwijs. Althans. Nee. Ze gaat nogal haar eigen gang.’. Tamar sprak het allemaal nogal staccato uit. Ze keek Thomas niet aan. ‘Ze. Uh. Is een paar jaar geleden verdwenen. Nouja. Ze woonde in Nederland. En was ineens weg. Ze had.. uh.. ‘was engaged to’ Thomas’. Tamar bewoog met haar armen in de richting van Thomas. ‘maar op een dag was ze verdwenen en liet jaren niets van zich horen. Tot een paar weken geleden. Thomas en ik kwamen erachter dat ze in Rome zat. We wilden haar spreken. Maar wisten niet precies waar ze was. Toen ontdekten we…’ Hoe zeg je ‘via via’ in het engels, vroeg Tamar zich af. ‘Uhh trough several acquaintances.. we knew Hannah would be at the Piazza della Suburra this morning’. Andrea leek het allemaal met interesse te volgen. Thomas bestudeerde ondertussen de archiefkasten achter Andrea. Tamar wist niet goed wat te doen. Thomas leek haar aan haar lot over te laten en haar nergens te willen aanvullen of onderbreken. Dus ging ze door. ‘We wisten dat ze daar zou zijn. Haar auto was stuk en ze had hem daar laten repareren. We wilden haar ontmoeten en dus waren we daar. Toen we haar uit de metro zagen komen liep ik naar de metro en bleef Thomas staan op de Via Cavour boven de garage. Ineens werden wij beiden, bijna gelijktijdig, overvallen door een stel Italianen. Twee probeerden er mij vast te pakken. Twee anderen probeerden Thomas te overmeesteren. We kwamen beiden los. Ik als eerste. Ik rende naar Thomas toe en vandaar renden we weg.'

vrijdag 16 november 2007

CXXXIV

Wantrouwig keek Thomas opzij. Waar was Tamar mee bezig? Zo had hij haar nog nooit gezien. Het leek wel of ze aan het flirten was met de inspecteur. Opeens begon het hem te dagen. Hij probeerde een glimlach te onderdrukken. Ze gooide vast haar vrouwelijke charmes in de strijd om de inspecteur te beïnvloeden. Welke Italiaan was nu niet onder de indruk van een jonge, mooie, blonde vrouw die zo vleiend deed? Ze legde het er wel een beetje dik bovenop, vond hij. Als ze een kat was, zou ze spinnen.
Inspecteur DiMatteo verschoof wat op zijn stoel en leunde daarna achterover in zijn stoel, terwijl hij schijnbaar afwezig een vulpen tussen zijn vingers liet rollen. Grappig, dacht Thomas. Hij was niet onder de indruk of hij speelt alsof Tamars geflirt hem niet interesseerde. Mooi spel tussen die twee.
Er kwam iemand binnen met bekertjes water, waardoor het moment verloren ging. Vrijwel meteen kwam er nog een agent binnen, die diverse spullen uit Tamar’s tasje op tafel legde.
‘Criminelen zijn criminelen,’ sprak de inspecteur geringschattend en koel. ‘Je kent ze, ook al ken je ze niet, begrijpt u.’
‘Zijn we nu gearresteerd omdat we wegrenden van het Piazza Suburra?’
‘Gearresteerd? Nee,’ sprak DiMatteo hoofdschuddend. ‘Maar op de vlucht slaan voor de politie wordt hier niet gewaardeerd.’ Hij tuitte afkeurend zijn lippen.
‘We zijn wel een kerk ingegaan.Op zondag,’ antwoordde Tamar poeslief. ‘Zegt dat niks over onze intenties?’
Onwillekeurig verscheen er een grijns op het gezicht van de politieman.Hij bladerde in hun paspoorten die in het stapeltje persoonlijke spullen lagen. ‘U moet u goed realiseren, mevrouw Mendel en meneer Brevers, is dat ik vooral nieuwsgierig ben naar de reden van deze poging tot ontvoering. De rest is daar een afgeleide van.’
Hij spreidde zijn armen. ‘Dus, vertelt u het mij maar.’

donderdag 15 november 2007

CXXXIII

Tamar verbaasde zich over zoveel hoffelijkheid. Je hoorde nog wel een over de Italiaanse politie dat ze hardhandig waren en corrupt. Maar er was helemaal geen sprake van een hardhandige behandeling. Ze werden ontvangen als gasten en niet als criminelen die zojuist heel hard waren weg gerend voor de politie. Nadat de jongere agent hen hun plaatsen had gewezen kwam al snel een zeer aantrekkelijke man binnen. Midden in de veertig en echt keurig gekleed. Niet het schreeuwerig soort ‘keurig’ waar de meeste Italianen een patent op leken te hebben. Hij was uiterst charmant. Stelde zich voor als Andrea DiMatteo. Tamar kon zich wel voorstellen met hem een romantisch dineetje te hebben. Ergens op een heuvel met uitzicht over de eeuwige stad. Ondergaande zon. Wijntje erbij. Pratend over poëzie en het leven. Tamar schrok op van het gemurmel van Thomas naast haar. Ze had niet echt opgelet wat Inspecteur DiMatteo (of mocht ze al Andrea zeggen?) nu precies had gevraagd. Ze keek geschokt naar de stotterende Thomas. ‘Wat vroeg hij nu precies?’ siste Tamar naar Thomas. ‘Je spreekt toch Engels? Waarom we wegrenden. Hij wil weten waarom wij wegrenden’. Tamar nam het woord. Ze ging er eens goed voor zitten en glimlachte liefjes.’Meneer de inspecteur. Wij renden weg omdat wij niet precies wisten wat wij moesten verwachten. Ineens werden we belaagd door een stel ongure types en onze eerste reactie na hun verdwijning was eigenlijk… rennen. Een beetje primitief, ik geef het toe. We hebben geen idee wat die mannen van ons wilden. Kent u ze misschien?’De vraag bleef onbeantwoord omdat er op dat moment een man binnen kwam lopen met een dienblad met plastic bekertjes water. Hij zette de bekertjes op de tafel en knikte vriendelijk naar Inspecteur die Matteo voordat hij de kamer weer verliet.

woensdag 14 november 2007

CXXXII

De agenten leken het allemaal nogal nonchalant op te vatten. Het portier werd hoffelijk voor hen opengehouden en met een uitnodigend handgebaar werd hen de
de ingang van het bureau gewezen. Eén agent ging hen voor en stak opgewekt zijn hand op naar twee collega’s die net naar buiten kwamen. Ze namen twee trappen en kwamen in een grote ruimte terecht, vol met bureau’s en kasten. Omdat de agent voor hem het uitzicht belemmerde, kon Thomas niet precies zien, waar ze heen gebracht werden. Toen deed de agent een stap opzij, zwaaide een glazen deur open en stonden Tamar en hij in een kantoortje.
‘Hmm, geen verhoorkamer,’ mompelde Tamar naast hem en onwillekeurig schoot hij in de lach. De agent die hen begeleid had, pakte hulpvaardig een extra stoel en zette die voor het bureau in het kantoortje neer. Hij beduidde hen te gaan zitten, wachtte tot ze dat gedaan hadden, tikte tegen zijn pet en sloot de deur achter zich op weg naar buiten.
Even later ging de deur open en kwam er een man van een jaar of vijfenveertig binnen. Hij droeg een krijtstreep pak met een modieuze das, liep om het bureau heen en ging op zijn stoel zitten.
‘Mijn naam is Andrea DiMatteo,’ sprak hij in bijna accentloos Engels. ‘Ik ben, uhm, inspecteur van politie. U bent hier in verband met een incident op het Piazza Suburra. Van mijn medewerkers heb ik begrepen dat er sprake was van een mislukte poging tot ontvoering.’
Hij glimlachte minnelijk. ‘Dit is een ernstige zaak, die wij hoog opnemen. Wij willen natuurlijk niet dat er buitenlandse toeristen in Rome worden ontvoerd. Maar wat mij wel bevreemd is dit: waarom wilde men u beiden ontvoeren? En daaruit voortkomend mijn tweede vraag: waarom sloeg u op de vlucht voor de politie?’

dinsdag 13 november 2007

CXXXI

Voor de kerk was een klein oploopje ontstaan. Drie politiewagens stonden kriskras voor de ingang geparkeerd en jongens op scooters en oude vrouwtjes met boodschappentassen bleven geïnteresseerd staan kijken. Zonder al te veel theater werden Thomas en Tamar achterin de politieauto gezet. Een jonge agent nam plaats op de bijrijderstoel en sloot de achterdeuren van de auto af met de centrale deurvergrendeling. De andere agenten spraken voor de kerk met een monnik. Waarschijnlijk probeerden ze hem uit te leggen wat er was gebeurd in zijn kerk. De agent op de bijrijderstoel keek hen geïnteresseerd aan maar zei niets. ‘Misschien hadden we niet weg moeten rennen’ zei Tamar. Thomas haalde zijn schouders op. ‘Ik hoop dat ze die andere gasten ook achterna zijn gegaan, dan hebben we hier nog iets aan’ zei hij. Hij keek uit het raam en bestudeerde het tafereel met de monnik. Tamar piekerde over wat en er gebeurd was en hoe ze dit beter hadden kunnen aanpakken. Misschien was alles een stuk eenvoudiger geweest als ze niet waren gaan rennen. Dan hadden ze misschien kunnen samenwerken met de politie. Nu leken ze wel erg verdacht en zat samenwerken er waarschijnlijk niet in.
Het wachten in de auto duurde niet lang, na nog geen vijf minuten stapte een brede gebruinde man van eind dertig de auto in en startte de motor. Hij keek over zijn schouders en zei iets wat Tamar niet verstond maar waar ze het woord ‘criminele’ in leek te herkennen. Thomas grinnikte maar zei niets terug. Ze reden door een reeks smalle straatjes met kasseitjes. Na een paar minuten kwamen ze op een bredere geasfalteerde weg. Na nog geen 15 minuten sloeg de auto rechtsaf een poort in en kwam tot stilstand op een grote parkeerplaats op een binnenplein vol met politieauto’s en politiebusjes. Duidelijk het politiebureau.

maandag 12 november 2007

cxxx

Tamar liet zich op een bank achterin de kerk zakken en kruiste haar rechterbeen over haar linker heen om haar voet te bekijken. Ze trok met een pijnlijk gezicht haar slipper uit. Thomas zag dat haar voetzool rood en opgezwollen was.
‘Waarom moesten we nu rennen? Sinds wanneer slaan wij op de vlucht voor de politie?’ Thomas schokschouderde. ‘Ik weet het niet. Het was instinctief.’ Een oude monnik in een witte pij kwam prevelend dichterbij. Alsmaar glimlachend begon de monnik eerst Tamar en daarna Thomas de hand te drukken, terwijl hij hen in verschillende talen om een kleinigheidje vroeg. Thomas drukte hem wat muntjes in de hand. De oude monnik straalde en wenste hen een gelukkig en kinderrijk huwelijk toe. Toen Thomas het voor Tamar vertaalde, terwijl hij de wegschuifelende monnik nakeek, moest ze daar even hartelijk om lachen. Maar algauw werd ze weer serieus.
‘Oké. Oké. Ik moet even hardop nadenken, hoor. Die Paolo is door Wijnand ingelicht over het bestaan van Hannah. Hij is hier op zoek gegaan en heeft haar gevonden. Waarom komt hij met zijn vrienden dan achter òns aan? Hannah heeft dat juweel. Als hij daar toch op uit is, waarom wil hij ons dan ontvoeren? Op klaarlichte dag, midden in Rome? Ik vind het nogal lef hebben. Waarom zijn wij zo interessant?’
‘Geen idee. Wat ik wel frappant vind, is hun amateurisme. Ze proberen ons te overmeesteren, maar twee man krijgen jou niet te pakken, terwijl er maar eentje zich op mij richt. Ik snap…’
De deur van de kerk klapte open en vier agenten beenden de kerk in, recht op hen af. De agenten kondigden hen in het Engels aan dat ze met hen mee moesten komen. Zonder handboeien, maar wel met stevige dwang werden ze weggeleid en achterin een gereedstaande politieauto gezet

vrijdag 9 november 2007

CXXIX

Zo hard ze kon rende ze op haar rubberen slippers langs het zwijgende kringetje toeschouwers en langs het ontbijtrestaurantje.Wat ze daarna zag was niet goed. Ze zag een busje en een man die aan Thomas stond te trekken. Ze zag Hannah met haar auto botsen. Ze zag dat Thomas zich los wist te rukken en tegen het hoofd van een van de mannen aanschopte. Dat was onaardig. Die man zag er al niet goed uit en nu schopte Thomas ook nog tegen zijn hoofd. Maar voordat ze dat allemaal gedacht had was de man met het door Thomas geschopte hoofd al in het busje gesleept en was het busje weggereden.
Buiten adem kwam Tamar bij Thomas aan, die voorovergebogen stond met zijn handen op zijn knieën. Verschillende groepjes mensen bleven naar hen staan kijken. Twee toeristen in felgekleurde t-shirts stonden opgewonden pratend naar hen. te wijzen.
‘Wie waren dat?’ vroeg ze buiten adem.
‘Paolo,’ antwoordde hij. ‘Het was Paolo. Hij zat in dat busje. Ik herkende zijn stem.’
‘Wie?’
‘Die kennis van Wijnand, die ons getipt heeft over de garage. Dit waren zeker zijn vrienden.’
‘Maar waarom zaten ze achter ons aan?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Geen idee.’
Een wit met zwarte Fiat van de Polizia Municipale stopte op het plein en twee agenten werden door een behulpzame omstander opgevangen en in hun richting verwezen.
‘Kom mee’ riep hij terwijl hij haar arm pakte. Ze renden samen zo hard als ze konden de Via Cavour uit richting het centrum, langs winkelende mensen, langs een rij bij de pinautomaat, langs kleine groentewinkeltjes, totdat Thomas rechts een straat insloegEen smalle steeg leidde steil naar boven. Tamar kon bijna niet meer, maar Thomas bleef haar opzwepen door te lopen. Ze bleven rennen tot Thomas een kerk binnen liep.

donderdag 8 november 2007

CXXVIII

Hannah kwam weer te voorschijn en liep richting haar auto. De garagebediende die achter haar liep, was overduidelijk haar heupwiegen aan het bewonderen. Op dat moment ving hij in zijn ooghoeken op, dat iemand Tamar van achteren naderde. Voor haar stond ook iemand. Thomas deed zijn mond open om haar te waarschuwen, maar een grote hand klapte vanuit het niets over zijn gezicht en hij voelde een brede arm zich om zijn nek sluiten. Hij probeerde zich los te worstelen, maar hij werd zo knellend vastgepakt dat hij wist dat het zinloos was. Een grijs minibusje kwam het pleintje op scheuren en de zijdeur schoof open. In de deuropening zat een man gehurkt, met een gretig gezicht, die hem met open armen leek willen te ontvangen. Thomas werd naar voren gesleurd door de man achter hem, die ongevoelig leek voor zijn gespartel en de elleboogschoten die hij probeerde uit te delen. Hij zag ineens hoe de man in het busje zijn ogen opensperde en een waarschuwing brulde. Thomas hoorde het aanzwellende geluid van een razende auto. Hij werd opzij getrokken en toen was hij los. In een flits zag hij Hannah achter het stuur zitten met een wit weggetrokken gezicht. De voorkant van haar Mercedes ramde tegen het busje, tussen het achterwiel en de bumper. Toen verdween ze met hoge snelheid van het plein.
Thomas krabbelde overeind. De man die hem had aangevallen, lag nog enigszins versuft op de grond. Toen hij zijn hoofd optilde, trapte Thomas er keihard tegen aan, als een voetbal, waardoor de man weer in elkaar zakte. De man in het busje was naar achteren geworpen door de aanrijding met Hannah’s Mercedes, maar sprong nu luid vloekend op straat. Hij tilde echter zijn handlanger op en trok hem mee terug het busje in, dat hard wegreed.

woensdag 7 november 2007

CXXVII

Ze draaide razendsnel haar hoofd naar rechts en zag, leunend tegen de gevel van het huis rechts van de metrotrappen een lang magere man staan. Hij had een klein baardje en keek Tamar recht aan. Zijn ogen leken te twinkelen. Tamar keek razendsnel de straat in voor haar en zag Hannah met de man in de overal naar de auto lopen. Ze draaide zich terug naar de man die nog steeds naar haar keek. Hij nam een stap en stond zo nog maar enkele meters bij haar vandaan. Onwillekeurig nam ze een stap naar achter. De man met het baardje bleef haar glimlachend aankijken en nam nog een stap haar richting uit. Toen ze zelf weer een stap nam voelde dat ze tegen iemand aanliep. Eerst leek het een toevallige voorbijganger, maar toen ze vastgepakt werd bij haar elleboog draaide ze zich abrupt om. Ze keek middenin het grijnzende gezicht van een mannetje, even groot als zijzelf. Zijn greep om haar arm verstevigde zich. Ze wist instinctief dat dit niet goed was. Als ze nog weg wilde komen moest ze nu iets doen. Met een wilde armbeweging probeerde ze haar arm los te draaien uit de greep van de kleine man. Tegelijkertijd bewoog ze zich zelf, bijna slepend, weg van de andere man. Onderwijl haar ene arm wild draaiend in de greep van de man en met haar andere arm hard om zich heen slaand, ook voorbijganger rakend. Ze raakte de man een keer hard op zijn neus en zijn greep verslapte. Met een harde draai en een trap tegen zijn knie wist ze zich los te maken. Enigszins verbaasd dat hij losliet keek ze om zich heen. Er had zich een zwijgend groepje mensen verzameld dat geïnteresseerd toekeek. Ze baande zich hardhandig een weg langs de mensen en zette het op een rennen.

dinsdag 6 november 2007

CXXVI

Thomas realiseerde zich dat hij met open mond stond te staren. Hij stond aan de grond genageld en registreerde slechts vaag dat Tamar bij hem vandaan liep. Daar was ze dan, na al die tijd dat hij haar gezocht had. Op een paar meter afstand was ze voorbij gelopen en de garage ingegaan. Ze had nog even haar auto over zijn snuit gestreeld. Het briefje had ze niet ontdekt. Maar wat zag ze er goed uit! Opgewekt in ongetwijfeld dure kleren. Het stak hem dat het blijkbaar zo goed met haar ging. Wie was degene die de Mercedes en haar spullen voor haar betaald had? Was ze echt gelukkig met haar huidige leven? Het leek er wel op. Ze had zo vaak neerbuigend gesproken over Nederland en de mentaliteit van haar inwoners, zoals zij het zag. Ze waren het daar altijd over oneens geweest. Hannah had regelmatig haar gal gespuwd over provincialisme, bekrompenheid, het saaie landschap en het slechte weer. Niets wat hij daar tegen in had kunnen brengen, had ze willen horen. Achteraf was het makkelijk om te concluderen dat ze nooit had kunnen aarden, dat ze haar blik op de horizon had gericht, op zoek naar een leven dat grootser en meeslepender was dan ze misschien kon verwachten. Toen had hij haar verteld over het juweel en was haar fascinatie voor zijn familiegeschiedenis onmiskenbaar, alsof dat haar zou verheffen boven andere mensen. Eigenlijk was Hannah zolang hij haar kende op zoek geweest naar mannen met geld, met invloed, met status. Het had iets treurigs, vond hij. Ontelbare keren had hij haar eenzaamheid in een lekkend kraakpand met een besmettelijke ziekte toegewenst. Hij zuchtte. In werkelijkheid had ze blijkbaar wederom succes geboekt. Met wie woonde ze in Rome? Wie bood haar de middelen om een dergelijk luxeleven te leiden?

maandag 5 november 2007

CXXV

Gebiologeerd stonden ze beiden naar Hannah te staren. Thomas stond achter Tamar tegen de gevel aangedrukt en zo hadden ze een uitstekend uitzicht op Hannah. Ze was dunner dan vroeger. Ze was bruin, maar niet te bruin. Het was een gezonde kleur bruin van iemand die regelmatig in de zon loopt, maar er nooit echt voor gaat liggen.
Ze had blond glanzend haar dat los tot op haar schouders viel en hen en weer wiegde met elke stap die ze nam. Ze droeg een strakke gebleekte spijkerbroek met daaronder bruine sandalen met hoge brede hakken. Een felgekleurd met bloemetjes bedekt wijd bloesje maakte haar een soort flowerpower verschijning. De bloes was ongetwijfeld van duur satijn en Tamar herkende hem niet als onderdeel van de zomercollectie van de Hennes, Esprit, Mexx of enig ander confectiemerk. Ze droeg verder een groot glimmend zilverkleurig horloge en een grote bruine leren tas die ze in haar hand hield.
Ze veerde over de kinderkopjes die in het straatje lagen en stond abrupt stil toen ze haar auto zag staan. Ze liep naar de motorkap, knielde en aaide met haar hand de voorkant van de auto. Dit hele ritueel duurde nog geen minuut, toen stond ze op en liep richting de garage. Aangezien de bezoekersingang aan de kant van het straatje zat, en dus uit het zicht van Thomas en Tamar, verdween ze uit hun gezichtveld. Tamar herhaalde razendsnel de manoeuvre die Thomas bij Luigi had uitgehaald. Ze rende langs de open plek boven het pleintje naar het uitzichtpunt boven de metro-ingang. Vanaf dat punt zag Hannah voor de garage met een man in een overal praten. De man was aan het woord en af en toe knikte Hannah. Hoe zeer het tafereel haar ook intrigeerde, opeens had Tamar het gevoel dat er iemand naar haar keek.

vrijdag 2 november 2007

CXXIV

Tamar en Thomas keken elkaar vol ongeloof aan.
‘Dus toch! We hadden kunnen weten dat die stomme dwerg op zou duiken,’ zei Tamar verbeten. ‘Wie weet hoeveel mensen hier straks op dit plein staan!’
‘Hij heeft in elk geval het briefje niet gezien. Als we zelf niets doen, pakt ze misschien gewoon jouw briefje en zien we haar in de San Giovanni.’
Thomas probeerde zijn stem hoopvol te laten klinken, maar hij voelde zich misselijk worden van binnen. De garage lag niet op de route van Luigi’s huis naar zijn werk, dus hij was hier speciaal naartoe gekomen.
‘Wacht hier,’ zei hij tegen Tamar en liep snel in de richting waarin hij Luigi had zien verdwijnen. Gelukkig voor hem dribbelde de Italiaan meer dan hij liep en algauw had hij hem in het oog. Tot Thomas’ verbazing leek Luigi geen interesse meer te hebben in Mercedessen en garages. Fluitend zwaaide hij met zijn aktetas en sjokte hij steeds verder de straat af. Schouderophalend keerde Thomas zich om en ging terug naar Tamar.
‘En?’
‘Hij loopt gewoon door. Volgens mij is hij nu op weg naar het museum.’
‘Misschien was hij gewoon nieuwsgierig.’
‘Ja,’ antwoordde hij nadenkend. ‘Maar hij wist dat wij hier ook zouden kunnen zijn, maar hij heeft niet één keer rondgekeken. En hij heeft met iemand in de garage gepraat.’
‘Wat nu als hij gevraagd heeft hoe laat Hannah haar auto komt halen!’ zei Tamar ineens opgewonden. ‘Dan weet hij dat het vanmiddag ofzo is en gaat hij nu gewoon naar zijn werk!’
Thomas hoopte dat ze ongelijk had, maar dat zou inderdaad plausibel zijn. Het kon nog wel tot… Hij verstijfde toen een slanke, blonde vrouw vanuit de metro Cavour kwam lopen en in de richting van de garage liep. Hij greep Tamar’s onderarm.
Het was Hannah.

donderdag 1 november 2007

CXXIII

Nadat de John de Wolf-man en zijn kompanen waren verdwenen, werd het levendiger op het pleintje. De kapperzaak opende zijn rolluiken en ook in de garage leek enige activiteit te ontstaan, een deur ging open en er werden spullen naar buiten gereden. De luiken van een aantal huizen tegenover het pleintje werden open gezet en ondertussen bleef de metro maar mensen uitspuwen die de straat langs het garagepleintje in liepen. Tamar stond voor Thomas tegen de gevel van een huis geleund, op deze manier kon Thomas over haar schouder heen het pleintje en de metro-ingang bestuderen. Om kwart over negen verscheen er een dikkig slonzig gekleed mannetje in de metro-ingang. Hij droeg een versleten aktetas en keek verdwaasd om zich heen. Het was Luigi. Tamar en Thomas zagen het tegelijkertijd. Weinig omslachtig liep Luigi meteen op de grijze Mercedes af. Bleef voor de motorkap staan en keek nietszeggend naar de vooruit. Tamar drukte zich dichter tegen de gevel en zette een stap naar achter, dichter tegen Thomas aan en meer uit het zicht. Luigi keek besluitloos om zich heen en liep toen naar de ingang van de garage. Daarna verdween hij achter de gevel van de garage. Thomas maande Tamar te blijven staan waar ze stond en rende langs de opening in de gevels en langs het restaurantje naar de bovenkant van de trappen van de metro. Vanaf deze plek kon hij de hele straat inkijken die langs de garage leidde en aan het einde de Via Serpenti kruiste. Hij zag Luigi in de opening van de garage staan en met iemand praten die binnen stond. Luigi wipte zenuwachtig heen en weer op zijn voeten, terwijl in zijn linkerhand de leren tas heen en weer schommelde. Na ongeveer drie minuten draaide Luigi zich om en liep dieper de straat in.