dinsdag 13 november 2007

CXXXI

Voor de kerk was een klein oploopje ontstaan. Drie politiewagens stonden kriskras voor de ingang geparkeerd en jongens op scooters en oude vrouwtjes met boodschappentassen bleven geïnteresseerd staan kijken. Zonder al te veel theater werden Thomas en Tamar achterin de politieauto gezet. Een jonge agent nam plaats op de bijrijderstoel en sloot de achterdeuren van de auto af met de centrale deurvergrendeling. De andere agenten spraken voor de kerk met een monnik. Waarschijnlijk probeerden ze hem uit te leggen wat er was gebeurd in zijn kerk. De agent op de bijrijderstoel keek hen geïnteresseerd aan maar zei niets. ‘Misschien hadden we niet weg moeten rennen’ zei Tamar. Thomas haalde zijn schouders op. ‘Ik hoop dat ze die andere gasten ook achterna zijn gegaan, dan hebben we hier nog iets aan’ zei hij. Hij keek uit het raam en bestudeerde het tafereel met de monnik. Tamar piekerde over wat en er gebeurd was en hoe ze dit beter hadden kunnen aanpakken. Misschien was alles een stuk eenvoudiger geweest als ze niet waren gaan rennen. Dan hadden ze misschien kunnen samenwerken met de politie. Nu leken ze wel erg verdacht en zat samenwerken er waarschijnlijk niet in.
Het wachten in de auto duurde niet lang, na nog geen vijf minuten stapte een brede gebruinde man van eind dertig de auto in en startte de motor. Hij keek over zijn schouders en zei iets wat Tamar niet verstond maar waar ze het woord ‘criminele’ in leek te herkennen. Thomas grinnikte maar zei niets terug. Ze reden door een reeks smalle straatjes met kasseitjes. Na een paar minuten kwamen ze op een bredere geasfalteerde weg. Na nog geen 15 minuten sloeg de auto rechtsaf een poort in en kwam tot stilstand op een grote parkeerplaats op een binnenplein vol met politieauto’s en politiebusjes. Duidelijk het politiebureau.

Geen opmerkingen: