vrijdag 16 november 2007

CXXXIV

Wantrouwig keek Thomas opzij. Waar was Tamar mee bezig? Zo had hij haar nog nooit gezien. Het leek wel of ze aan het flirten was met de inspecteur. Opeens begon het hem te dagen. Hij probeerde een glimlach te onderdrukken. Ze gooide vast haar vrouwelijke charmes in de strijd om de inspecteur te beïnvloeden. Welke Italiaan was nu niet onder de indruk van een jonge, mooie, blonde vrouw die zo vleiend deed? Ze legde het er wel een beetje dik bovenop, vond hij. Als ze een kat was, zou ze spinnen.
Inspecteur DiMatteo verschoof wat op zijn stoel en leunde daarna achterover in zijn stoel, terwijl hij schijnbaar afwezig een vulpen tussen zijn vingers liet rollen. Grappig, dacht Thomas. Hij was niet onder de indruk of hij speelt alsof Tamars geflirt hem niet interesseerde. Mooi spel tussen die twee.
Er kwam iemand binnen met bekertjes water, waardoor het moment verloren ging. Vrijwel meteen kwam er nog een agent binnen, die diverse spullen uit Tamar’s tasje op tafel legde.
‘Criminelen zijn criminelen,’ sprak de inspecteur geringschattend en koel. ‘Je kent ze, ook al ken je ze niet, begrijpt u.’
‘Zijn we nu gearresteerd omdat we wegrenden van het Piazza Suburra?’
‘Gearresteerd? Nee,’ sprak DiMatteo hoofdschuddend. ‘Maar op de vlucht slaan voor de politie wordt hier niet gewaardeerd.’ Hij tuitte afkeurend zijn lippen.
‘We zijn wel een kerk ingegaan.Op zondag,’ antwoordde Tamar poeslief. ‘Zegt dat niks over onze intenties?’
Onwillekeurig verscheen er een grijns op het gezicht van de politieman.Hij bladerde in hun paspoorten die in het stapeltje persoonlijke spullen lagen. ‘U moet u goed realiseren, mevrouw Mendel en meneer Brevers, is dat ik vooral nieuwsgierig ben naar de reden van deze poging tot ontvoering. De rest is daar een afgeleide van.’
Hij spreidde zijn armen. ‘Dus, vertelt u het mij maar.’

Geen opmerkingen: