vrijdag 30 november 2007

CXLIII

Op het vliegveld aangekomen leek de belangstelling van de twee agenten voor Tamar en Thomas nog verder af te nemen. Eén agent liep meteen naar een groepje taxichauffeurs en begon een praatje, de ander opende de achterbak van de auto maar leek niet van plan de koffers eruit te tillen, hij bleef dromerig in de verte staren en ondernam verder geen enkele actie. Thomas pakte de koffers uit de auto, draaide zich resoluut om naar de dromerige agent en stak zijn hand uit ‘Nou, heel erg bedankt voor deze service. We zijn vereerd’. Hij duwde Tamar richting de agent die ook haar hand uitstak en vriendelijk knikte. Thomas stak zijn hand op naar de agent bij de taxichauffeurs en zwaaide uitbundig. Hij beende vervolgens zonder omkijken de vertrekhal in. Tamar moest moeite doen hem bij te houden en huppelde bijna achter hem aan. Thomas liep regelrecht naar de incheckbalie en keek toen achterom. Door de grote ruiten zag hij nu beide agenten bij de taxichauffeurs staan. Ze hadden geen enkele interesse meer in hen, zo leek het. Thomas liep nu met koffer en al dieper de hal in en ging op een bankje zitten. ‘We wachten hier even tot ze weg zijn en gaan dan terug. Kun jij je ticket omboeken?’. Tamar keek hem verbijsterd aan. Had die man dan geen enkel idee van de echte wereld? Wist hij niet dat normale mensen een baan hadden en elke ochtend achter hun bureau werden verwacht? ‘Ik weet niet wat je van plan bent, maar ik moet morgen werken. Ik kan onmogelijk nog langer hier blijven. Niet iedereen heeft zo’n flexibel luizenbaantje als jij’. Thomas leek volkomen verrast door deze reactie. Hij trok zijn wenkbrauwen op en wist duidelijk niet wat te zeggen. ‘Ok, dan blijf ik wel en ga jij werken’.

Geen opmerkingen: