woensdag 14 november 2007

CXXXII

De agenten leken het allemaal nogal nonchalant op te vatten. Het portier werd hoffelijk voor hen opengehouden en met een uitnodigend handgebaar werd hen de
de ingang van het bureau gewezen. Eén agent ging hen voor en stak opgewekt zijn hand op naar twee collega’s die net naar buiten kwamen. Ze namen twee trappen en kwamen in een grote ruimte terecht, vol met bureau’s en kasten. Omdat de agent voor hem het uitzicht belemmerde, kon Thomas niet precies zien, waar ze heen gebracht werden. Toen deed de agent een stap opzij, zwaaide een glazen deur open en stonden Tamar en hij in een kantoortje.
‘Hmm, geen verhoorkamer,’ mompelde Tamar naast hem en onwillekeurig schoot hij in de lach. De agent die hen begeleid had, pakte hulpvaardig een extra stoel en zette die voor het bureau in het kantoortje neer. Hij beduidde hen te gaan zitten, wachtte tot ze dat gedaan hadden, tikte tegen zijn pet en sloot de deur achter zich op weg naar buiten.
Even later ging de deur open en kwam er een man van een jaar of vijfenveertig binnen. Hij droeg een krijtstreep pak met een modieuze das, liep om het bureau heen en ging op zijn stoel zitten.
‘Mijn naam is Andrea DiMatteo,’ sprak hij in bijna accentloos Engels. ‘Ik ben, uhm, inspecteur van politie. U bent hier in verband met een incident op het Piazza Suburra. Van mijn medewerkers heb ik begrepen dat er sprake was van een mislukte poging tot ontvoering.’
Hij glimlachte minnelijk. ‘Dit is een ernstige zaak, die wij hoog opnemen. Wij willen natuurlijk niet dat er buitenlandse toeristen in Rome worden ontvoerd. Maar wat mij wel bevreemd is dit: waarom wilde men u beiden ontvoeren? En daaruit voortkomend mijn tweede vraag: waarom sloeg u op de vlucht voor de politie?’

Geen opmerkingen: