woensdag 28 november 2007

CXLII

De agenten waren wel zo galant om hun koffers netjes aan te pakken en achterin de politieauto te leggen.
‘We zijn wel weer interessant,’ zei Thomas, terwijl hij naar een paar nieuwsgierige mensen wees, die voor de ingang van het hotel naar hen stonden te kijken. ‘Overal waar we heen gaan, worden we bekeken.’
Tamar keek nauwelijks geïnteresseerd in de richting waarin hij wees. Toen werden haar ogen groot. ‘Kijk!’ riep ze. Thomas zag niets bijzonders.
‘Wat is er?’ vroeg hij, terwijl ook de aandacht van de agenten getrokken was door haar uitroep.
‘Dat was één van die kerels die mij aanviel. Hij stond daar op de hoek.’
‘Waar dan?’
‘Nu is hij weg. Ik zag hem duidelijk!’
Snel vertaalde Thomas haar woorden in het Engels. De agenten zeiden niets terug, maar begonnen met elkaar te overleggen.
‘Pak hem dan!’ zei Tamar opgewonden, terwijl ze één van de agenten een por gaf. Dat vond hij niet leuk. ‘We hebben opdracht om u naar het vliegveld te brengen,’ sprak hij vormelijk. ‘Stapt u alstublieft in.’
Ze hadden weinig keus. Tamar bleef achterom kijken totdat het hotel uit het zicht was verdwenen, maar de aanvaller zag ze niet meer.
‘Wie zijn die gasten toch? vroeg Tamar. ‘En wat willen ze van ons?’
‘De vrienden van Paolo? Geen idee. Ik ga wel een hartig woordje met Wijnand spreken als we terug zijn. Het was nogal naïef van hem om te denken dat hij die Paolo kon vertrouwen. Maar goed dat we ontsnapt zijn. Stel je voor wat er anders had kunnen gebeuren.’
‘Liever niet,’ antwoordde Tamar, ‘Ik krijg al koude rillingen als ik eraan denk. Ik hoop maar dat met Hannah alles goed is.’
Thomas’ maag trok even samen. ‘Vast wel,’ probeerde hij geruststellend te doen. ‘Ze is gewoon met haar spullen vertrokken.’

Geen opmerkingen: