dinsdag 6 november 2007

CXXVI

Thomas realiseerde zich dat hij met open mond stond te staren. Hij stond aan de grond genageld en registreerde slechts vaag dat Tamar bij hem vandaan liep. Daar was ze dan, na al die tijd dat hij haar gezocht had. Op een paar meter afstand was ze voorbij gelopen en de garage ingegaan. Ze had nog even haar auto over zijn snuit gestreeld. Het briefje had ze niet ontdekt. Maar wat zag ze er goed uit! Opgewekt in ongetwijfeld dure kleren. Het stak hem dat het blijkbaar zo goed met haar ging. Wie was degene die de Mercedes en haar spullen voor haar betaald had? Was ze echt gelukkig met haar huidige leven? Het leek er wel op. Ze had zo vaak neerbuigend gesproken over Nederland en de mentaliteit van haar inwoners, zoals zij het zag. Ze waren het daar altijd over oneens geweest. Hannah had regelmatig haar gal gespuwd over provincialisme, bekrompenheid, het saaie landschap en het slechte weer. Niets wat hij daar tegen in had kunnen brengen, had ze willen horen. Achteraf was het makkelijk om te concluderen dat ze nooit had kunnen aarden, dat ze haar blik op de horizon had gericht, op zoek naar een leven dat grootser en meeslepender was dan ze misschien kon verwachten. Toen had hij haar verteld over het juweel en was haar fascinatie voor zijn familiegeschiedenis onmiskenbaar, alsof dat haar zou verheffen boven andere mensen. Eigenlijk was Hannah zolang hij haar kende op zoek geweest naar mannen met geld, met invloed, met status. Het had iets treurigs, vond hij. Ontelbare keren had hij haar eenzaamheid in een lekkend kraakpand met een besmettelijke ziekte toegewenst. Hij zuchtte. In werkelijkheid had ze blijkbaar wederom succes geboekt. Met wie woonde ze in Rome? Wie bood haar de middelen om een dergelijk luxeleven te leiden?

Geen opmerkingen: