donderdag 15 november 2007
CXXXIII
Tamar verbaasde zich over zoveel hoffelijkheid. Je hoorde nog wel een over de Italiaanse politie dat ze hardhandig waren en corrupt. Maar er was helemaal geen sprake van een hardhandige behandeling. Ze werden ontvangen als gasten en niet als criminelen die zojuist heel hard waren weg gerend voor de politie. Nadat de jongere agent hen hun plaatsen had gewezen kwam al snel een zeer aantrekkelijke man binnen. Midden in de veertig en echt keurig gekleed. Niet het schreeuwerig soort ‘keurig’ waar de meeste Italianen een patent op leken te hebben. Hij was uiterst charmant. Stelde zich voor als Andrea DiMatteo. Tamar kon zich wel voorstellen met hem een romantisch dineetje te hebben. Ergens op een heuvel met uitzicht over de eeuwige stad. Ondergaande zon. Wijntje erbij. Pratend over poëzie en het leven. Tamar schrok op van het gemurmel van Thomas naast haar. Ze had niet echt opgelet wat Inspecteur DiMatteo (of mocht ze al Andrea zeggen?) nu precies had gevraagd. Ze keek geschokt naar de stotterende Thomas. ‘Wat vroeg hij nu precies?’ siste Tamar naar Thomas. ‘Je spreekt toch Engels? Waarom we wegrenden. Hij wil weten waarom wij wegrenden’. Tamar nam het woord. Ze ging er eens goed voor zitten en glimlachte liefjes.’Meneer de inspecteur. Wij renden weg omdat wij niet precies wisten wat wij moesten verwachten. Ineens werden we belaagd door een stel ongure types en onze eerste reactie na hun verdwijning was eigenlijk… rennen. Een beetje primitief, ik geef het toe. We hebben geen idee wat die mannen van ons wilden. Kent u ze misschien?’De vraag bleef onbeantwoord omdat er op dat moment een man binnen kwam lopen met een dienblad met plastic bekertjes water. Hij zette de bekertjes op de tafel en knikte vriendelijk naar Inspecteur die Matteo voordat hij de kamer weer verliet.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten