woensdag 16 april 2008

CCXXXI

Ze was moe, leeg. Het was een enorm zware dag geweest. De vlucht vanuit Londen, het nieuws over Hannah, het heen en weer geren tussen politiebureau, hotel en ambassade. Ze kon geen ‘pap’ meer zeggen.
Thomas stond erop die Fabrizzio te bellen en dus bleef ze nog even zitten. Terwijl hij belde keek ze wat om zich heen en wachtte verveeld tot hij klaar was. Ze vroeg de ober een taxi te bellen en luisterde niet echt naar het gesprek dat Thomas aan het voeren was. Toen hij oplegde zag ze weer die blik in zijn ogen. Ze kon een zucht van ergenis bijna niet onderdrukken. Ze wilde naar het hotel, naar bed, slapen. Ze wilde naar haar ouders en de begrafenis regelen.
Thomas leek haar ergenis niet op te merken. Verhit begon hij zijn verhaal te doen over Fabrizzio en een minnares en Bianca en Mantegna. Het verhaal ging half langs haar heen. Ze begreep dat het vast belangrijk was, maar ze was moe. Ze knikte wat, bromde soms iets wat zijn verhaal moest beamen.
‘Thomas, wat gaan we nu doen?’ Ze vroeg het voordat ze er erg in had. ‘Gaan we nu weer het werk van de politie overnemen?’ Thomas bleef stil, hij keek naar de stoep onder het tafeltje. ‘Ik denk dat het het beste is als je Fabrizzio nu belt en zegt dat jij Bianca en Luigi kent zodat we niet overmorgen wéér op het matje worden geroepen bij DiMatteo.‘ De taxi reed voor en Tamar stond op. Thomas zei niets en bleef zitten in zijn stoel.
‘Als jij het niet doet, doe ik het.’ Ze zei het niet dreigend, het kwam er uit als een mededeling. Toen stond Thomas op, pakte zijn telefoon en belde Fabrizzio. Terwijl hij dat deed stapten ze samen in de taxi.

Geen opmerkingen: