donderdag 3 april 2008

CCXXV

Het was nog warm buiten maar af en toe woei er een koude wind door de straten. Het voelde onwerkelijk weer door Rome te lopen, nu niet met het verwachtingsvolle gevoel van avontuur van eerst maar met een bijna onwerkelijk donkere wolk boven hun hoofd. Thomas en zij waren allebei stil toen ze door de straatjes parallel aan de Via Cavour liepen. Eerder liepen ze hier ook samen, op weg naar de San Pietro in Vincoli.
Tamar sloeg haar sjaal steviger om haar blote schouders, het werd kouder en de zon begon al weg te zakken achter de gevels van de smalle straatjes. Ze had geen idee hoe laat het was. Vanaf het moment dat ze die ochtend de ontvangshal van het vliegveld in was gelopen, was ze elk besef van tijd kwijt geraakt. Ze had sinds die ochtend niets meer gegeten en ze wist niet zeker of het weeë gevoel in haar knieën werd veroorzaakt door de honger of door het besef dat ze voor altijd haar enige zus was kwijtgeraakt. Thomas sloeg zonder iets te zeggen rechtsaf en liep de stijle trappen af richting de Via Cavour. Die straat stak hij vrijwel meteen over waarna hij zich een weg zocht in de steegjes van de oude Subburra. Binnen tien minute zaten ze weer op het terras van het restaurant waar ze eerder hadden gezeten. Onwillekeurig keek Tamar naar de muur waar ze toen de man had gezien die hen bestudeerde. Er stond nu niemand. Het terras was vrijwel leeg. Samen bestudeerden ze de kaart. Nu pas voelde ze hoe hongerig ze was en meteen voelde ze zich schuldig dat zij nog kon eten terwijl ze net wist dat haar zus dood was. ‘Ik heb ook honger hoor’ zei Thomas. Hij wreef over haar knie terwijl hij het zei.

Geen opmerkingen: