woensdag 2 april 2008

CCXXIV

‘Moet ik me omdraaien?’ vroeg Tamar plagerig, terwijl hij zijn shirt begon los te knopen om het schone overhemd aan te kunnen trekken. Hij schonk haar een vermoeide grijns. ‘Drink jij nu maar gewoon je biertje op.’
Was dit mogelijk? Waren ze nu echt aan het flirten, terwijl ze de formulieren over haar vermoorde zus aan het invullen waren? Hij walgde van zichzelf, maar tegelijkertijd kon hij niet ontkennen dat hij zich tot Tamar aangetrokken voelde. Opnieuw bedacht hij zich dat ze vroeger altijd het ‘zusje van’ was geweest en zijn gevoelens voor Hannah hadden nooit een andere blik toegelaten. Maar hij kon toch niet ontkennen dat ook voor Hannah’s dood hij merkte dat hij een zwak voor haar had. “Een zwak, Thomas?” vroeg hij zichzelf.

En hoe dacht Tamar over hem? Misschien had ze door alle emotionele gebeurtenissen behoefte aan een ontsnappingsmechanisme. Normaal doen, praten, ouwehoeren, zelfs flirten, om maar niet bezig te hoeven zijn met de acceptatie van Hannah’s dood en de verwerking van haar verdriet. Gold dat ook niet voor hemzelf? En zou hij met Tamar kunnen zoenen, haar aanraken? In deze situatie? Juist met Tamar? Uitgerekend met Hannah’s zus? Hij kon het zich nauwelijks voorstellen. Onwillekeurig dacht hij aan het onderwerp van zijn biografie: Henry VIII. Die was met de vrouw van zijn overleden broer Arthur getrouwd, al waren de meningen destijds en nu heftig verdeeld of Arthur en Katherine hun huwelijk hadden geconsumeerd. Henry had er in elk geval niet voor teruggeschrokken om zowel Mary als Anne Boleyn in zijn bed toe te laten. Wat op zichzelf, dacht hij met een grijns, Henry’s hele latere punt over de onreinheid van zijn verbintenis met Katherine onderuit haalde.
‘Waarom lach je?’ vroeg Tamar in reactie.
Hij wuifde het weg. Dit kreeg hij haar toch niet fatsoenlijk uitgelegd.

Geen opmerkingen: