maandag 31 maart 2008

CCXX

Het relaas van DiMatteo, af en toe aangevuld door Carlo, was eigenlijk heel eenvoudig. Na een tip van een buurtbewoner, die had geklaagd over een gek met een Mercedes die hem bijna overhoop had gereden op een onverhard weggetje, was de politie gaan kijken bij een landhuis een half uur buiten Rome. In het huis was het lichaam van Hannah gevonden. Het huis bleek op naam te staan van één van de bedrijven van Grimani. Het leed geen twijfel dat Grimani haar had gewurgd. Het DNA onder Hannah’s vingernagels matchte met het bloed dat ze in de auto hadden gevonden. Zijn duimafdrukken stonden in haar keel.
‘Een crime passionel,’ had DiMatteo gezegd. ‘De ultieme daad van een jaloerse en afgewezen minnaar.’
Eén van Grimani’s medewerkers, officieel een chauffeur, maar volgens DiMatteo een lijfwacht, had onder ede verklaard dat hij en Hannah in het geniep rotzooiden en dat Grimani daar achter was gekomen.
‘Waarom heeft hij haar dan eerst ontvoerd?’ had Tamar met hese stem willen weten.
DiMatteo had zijn schouders opgehaald. ‘Dat weet ik niet. Ik vermoed dat hij haar met haar bedrog wilde confronteren, nadat ze hem had verlaten.’ De moordenaar Grimani was nog altijd voortvluchtig. Volgens de inspecteur was het echter een kwestie van tijd voordat de politie hem in zou rekenen. Daarmee konden ze het doen. Een medewerkster van de Nederlandse ambassade ving hen op en bracht hen naar Thomas’ hotel. Daar aangekomen ging Tamar haar ouders bellen en stelde de vrouw van de ambassade aan hem discrete vragen over de repatriëring naar Nederland, zodra de politie het lichaam van Hannah zou vrijgeven. Ze vertrok haastig, toen Tamar aangeslagen terug kwam en zich snikkend oprolde op het bed. Thomas probeerde haar te troosten. Ineens verstijfde hij. Hij realiseerde zich dat Fabrizzio de hele tijd oogcontact had vermeden.

Geen opmerkingen: