maandag 17 maart 2008

CCXVI

Met nietsziende ogen staarde hij uit het raam van de politieauto. Waar ze nu precies heen reden wist hij niet. De Engelse woorden hadden de Italianen niet paraat gehad. Iets met forensisch, gerechtelijk onderzoek. Hij had het maar half begrepen wat de bestemming was. Duidelijker was het uiteindelijke doel op die bestemming. Met veel omhaal van woorden had Carlo hem uitgelegd dat ze iemand nodig hadden om het lichaam van Hannah te identificeren. Zijn sputterende tegenwerpingen dat hij haar al lang niet meer gezien had, leken niets uit te halen. De politie twijfelde er niet aan dat hij Hannah zou herkennen. Moest hij Tamar nu bellen? Of wachten tot ze morgen in Rome zou zijn? Kon hij het maken om langer te wachten? Hij moest eerst zeker zijn dat het lichaam ook echt van Hannah was. Hij had geen idee waarom hij hieraan twijfelde. Misschien teveel films gezien. In het echt zou het waarschijnlijk nooit voorkomen dat lijken (hij huiverde bij het woord) verwisseld werden.

Wat later zat hij op een lange, kille gang te wachten tegenover een zware schuifdeur. De politieagenten waren binnen. De stoel waarop hij zat, wiebelde als hij verschoof. De neuzen van zijn schoenen vertoonden kale plekken. Een vrouw van middelbare leeftijd in een doktersjas passeerde hem alsof hij er niet was. Het nare gevoel bovenin zijn maag was enigszins gezakt. Ergens klapte een deur dicht. Het was DiMatteo die de deur openschoof en hem naar binnen wenkte. De Italianen hadden een soort halve kring gevormd om een hoge tafel. Een vaalgroen laken lag over de contouren van een menselijk lichaam heen. Sneller dan hij wilde, stond hij bij de tafel. Een somber kijkende man (lijkschouwer?) kwam naar voren en schoof langzaam het laken van het hoofd terug. Thomas keek en keek weg en keek weer.

Geen opmerkingen: