Met een angstig voorgevoel bleef Thomas voor de inspecteur staan. Hij slikte toen hij in de ogen van DiMatteo keek. De Italiaan leek even naar een formulering te moeten zoeken.
‘Ik vrees dat ik slecht nieuws heb,’ hoorde Thomas hem zeggen. ‘We hebben een lichaam gevonden buiten Rome. Vermoedelijk is het uw ex-vriendin.’
Thomas voelde zich spontaan misselijk worden. Zijn hart bonkte zwaar achter zijn ribben. Zijn rechterhand trilde, toen hij probeerde het haar van zijn voorhoofd te vegen. Ineens stond Carlo naast hem, die een snelle verwensing naar DiMatteo siste en Thomas bij zijn schouder beetpakte.
‘Gaat het?’ vroeg hij bezorgd.
Thomas wist het niet. Hij boog door zijn knieƫn met zijn bovenlichaam naar voren en zijn handen tussen zijn benen geklemd. Zou hij gaan overgeven?
Carlo praatte nog door, maar hij ving alleen flarden op. Hannah’s naam schoot heen en weer door zijn hoofd. Ze was dood. Dood. Was het echt mogelijk?
Thomas keek op. ‘Wat is er gebeurd?’
Hij herkende amper zijn eigen stem in de woorden die hij uit zijn keel wist te wringen.
‘Toe,’ zei Carlo sussend. ‘Laten we ergens rustig verder praten. Dit kan echt niet zomaar op straat.’
De twee politiemannen wisselen priemende blikken uit, die Thomas weliswaar registreerde, maar op dat moment nauwelijks bevatte. Willoos liet hij zich in de inmiddels vertrouwde politieauto zetten, met Fabrizzio aan het stuur, die hem medelijdend aankeek. Zijn lichaam voelde slap aan en hij kon amper de kracht opbrengen om rechtop te blijven zitten. Carlo schoof dit keer naast hem en DiMatteo ging voorin zitten.
‘Wat is er gebeurd?’ herhaalde hij toonloos.
‘Zullen we dit op het bureau bespreken?’ zei Carlo voorzichtig.
‘Nee,’ antwoordde hij beslist, ‘ik wil het weten. Is ze vermoord?’
‘Er is geen eenvoudige manier om dit te zeggen. We denken van wel.’
donderdag 13 maart 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten