dinsdag 11 maart 2008

CCXII

Waarom deed hij nu kortaf tegen haar? Was hij te verbouwereerd geweest om echt enthousiast te reageren? Eigenlijk was hij dolblij om haar weer te zien. Thomas zat op de rand van zijn bed in het hotel en had zijn schoenen uitgetrapt. Hij liet zich langzaam achterover zakken op zijn rug en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Tamar. Hij zuchtte. Tamar. Er was zoveel op hem afgekomen, dat hij nauwelijks aan haar had kunnen denken. Hij had haar gemist. Even zag hij de contouren van haar naakte lichaam bij Colin’s zwembad voor zich. Een verhaal zo oud als de weg naar Rome, dacht hij zuur. Hannah en Tamar. Hij had van Hannah gehouden: intens, argeloos en volledig, zoals je je aan je eerste liefde overgeeft met onbevangenheid en onwetendheid. En had zij niet hetzelfde gedaan? Ze hadden elkaar daarna gekwetst, het weer goedgemaakt en elkaar weer losgelaten. Sommige van zijn meest heftige gevoelens en emoties waren onlosmakelijk met Hannah verbonden. En Tamar? Hij had een zwak voor haar en misschien wel meer dan dat. Omdat ze juist een anti-Hannah was? En met heftige gebeurtenissen dicht bij hem in de buurt? Was Tamar uiteindelijk hetgeen…
De telefoon op het nachtkastje ging over. Met verbaasd opgetrokken wenkbrauwen (zo zag hij in de spiegel) zei hij: ‘Pronto!’ in de hoorn.
‘Meneer Brevers, ik sta buiten op straat.’ Het was DiMatteo. ‘Kunt u naar beneden komen?’
Thomas trok een scheef gezicht naar zijn spiegelbeeld, die hetzelfde terug deed. Wat wilde de inspecteur nu weer? Hij was weggelopen, alsof hij Thomas niet meer wilde spreken. Maar hij had kunnen weten dat de Italiaanse politie hem niet met rust zou laten. Toen hij buiten kwam, stond DiMatteo recht voor de ingang. Aan zijn gezicht zag Thomas meteen dat er iets ernstig aan de hand was.

Geen opmerkingen: