‘Wat?!?’ zei Thomas ongelovig. ‘Alweer? Waarom?’
‘Ik wil dat u een verklaring aflegt. Over uw relatie met Paolo Nesti, over uw verblijf hier. Ik beschouw u niet als verdachte, maar ik wil graag op papier hebben wie uw kennissen zijn, hoe u ze kent, etcetera.’
‘Ik kan Paolo amper. Hij is een vriend van een vriend van mij.’
‘Realiseert u zich dat uw kennissen hier in Rome allemaal met kunst of kunsthandel te maken hebben?’
‘Huh?’ was het weinig intelligente antwoord dat Thomas kon uitbrengen. DiMatteo stond op, dronk zijn kopje in één teug leeg en hief zijn arm op. Toeristen gingen vlug opzij, toen er een donkere Alfa Romeo aan kwam rijden langs het terras.
‘Auto’s mogen hier niet komen. Wilt u alstublieft snel instappen?’ vroeg de inspecteur.
‘Moeten we niet betalen?’ vroeg Thomas verbaasd, terwijl hij zich op de achterbank positioneerde. DiMatteo plofte naast hem neer en maakte een wegwerpgebaar. ‘Ze kennen me hier.’ Voorin zaten DiMatteo’s assistenten, die summier werden voorgesteld als Fabrizzio en Carlo. Fabrizzio reed en claxonneerde voortdurend, totdat Carlo het zat leek te worden en een blauw zwaailicht op het dashboard plaatste. Toen ging het sneller. Thomas wilde van alles vragen, maar DiMatteo beduidde hem met een klopje op zijn arm te wachten.
Op het bureau gingen ze niet naar DiMatteo’s kamer, maar naar een kale ruimte met een grijs bureau in het midden, met aan de ene kant één stoel, aan de andere kant twee stoelen en een paar stoelen langs de muur. Tot zijn verbijstering realiseerde Thomas zich dat dit een verhoorkamer was.
‘Dit praat wat rustiger,’ zei DiMatteo sussend, toen hij Thomas’ blik opving. Hij kreeg de stoel aan het bureau toegewezen, terwijl DiMatteo zich positioneerde op een stoel tegen de achterwand. Carlo en Fabrizzio gingen naast elkaar tegenover Thomas zitten.
maandag 25 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten