woensdag 23 januari 2008

CLXXX

Even zag Thomas de beverige, dooraderde handen van zijn opa Reginald voor zich, toen de oude man de langwerpige doos voor hen opende. Zijn eed dat hij nooit met vreemden over de herkomst van het juweel mocht praten, had hij al gebroken. Zijn opa had er nooit veel voor gevoeld om het juweel terug te geven. Hij hoorde zijn opa’s stem in zijn hoofd, een stem die net zo trilde als zijn handen. Thomas glimlachte vol genegenheid om die oude baas, die kranige veteraan en zijn unieke kijk op het eigendomsrecht van het juweel.
‘Die Stuarts hebben het mooi verprutst en hoewel Cromwell een smerige rotzak was…’ Die zin maakte hij nooit af. ‘En de Hannovers waren nog erger. Die Duitsers met hun rare gewoonten hadden ons juweel nooit gewaardeerd. Nee, die verdienden het niet om het juweel terug te krijgen. En na de oorlog wachtte ik op een zoon die niet kwam. En hoewel koningin Elizabeth…’
‘Meneer Brevers.’ DiMatteo onderbrak zijn gedachten. Blijkbaar kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.
‘Het ligt ingewikkeld,’ zei hij toen maar.
De inspecteur wierp hem een onpeilbare blik toe. ‘Goed. Hoe komt uw ex-vriendin aan het juweel?’
‘Een stommiteit van mijn kant, kan ik wel zeggen,’ zei Thomas verbitterd. ‘In een opwelling heb ik het haar een keer laten zien.’ Hij sloot zijn ogen en schudde zijn hoofd. Hij wilde DiMatteo niet aankijken.
‘Toen was ze ineens weg. En het juweel bleek weg.’
‘Waar bewaarde u het?’
Thomas opende zijn ogen, liet zijn hoofd achterover zakken en staarde naar het plafond. Hij verlangde naar een sigaret en een bel whiskey.
‘Thuis, in een kluis. Maar de combinatie was haar geboortedatum.’
DiMatteo trok een gepijnigd gezicht, maar leverde geen commentaar. Niet dat het nodig was, want Thomas herkende deze uitdrukking – van zijn eigen badkamerspiegel.

Geen opmerkingen: