donderdag 17 januari 2008

CLXXVI

‘Wilt u echt dat ik u formeel als verdachte aanmerk?’ vroeg DiMatteo voor de zoveelste keer. ‘Uw zwijgen geeft mij steeds meer reden daartoe.’
Thomas voelde zijn ogen branden. Er was al geruime tijd verstreken sinds de inspecteur zijn eerste sigaret had opgestoken. Het pakje dat naast diens pols op het bureau lag, was bijna leeg. De politieman keek hem nors aan. ‘Ik begrijp u niet. Als u zich zo’n zorgen maakt over uw ex-vriendin, waarom helpt u ons haar dan niet vinden? Help ons bij het onderzoek. Elke aanwijzing van u kan deze ontvoering oplossen.’
‘Dat denk ik niet,’ zei Thomas. ‘Ik zocht Hannah, maar als ze ontvoerd is, heeft dat niets te maken met mijn komst.’
Hij hoorde de leugenachtigheid in zijn stem en walgde van zichzelf. De gedachte dat Hannah ergens werd vastgehouden en dat er God-weet-wat met haar gebeurde, maakte hem misselijk. Ze hadden haar een bloedneus geslagen. Of was haar neus gebroken? Wie was die vent met die baard, toch? Tamar had hem nog gewaarschuwd voor die vent. Wie waren er uit op het juweel? Hij schraapte zijn keel en keek de kamer rond. Aan de muur rechts van hem hing een afgebladderde rekruteringsposter voor de ‘Polizia di Stato’, met daarnaast een stel oude vakantiekaarten, vermoedelijk van collega’s. Achter DiMatteo hing een whiteboard met half uitgewiste aantekeningen en krabbels.
‘Kan ik gaan?’ vroeg hij toen maar weer.
‘Nee,’ antwoordde DiMatteo scherp. ‘Als u weg gaat, wordt u gearresteerd.’
Thomas liet dat even op zich inwerken. Zijn vingers trommelden op de stoelleuning. DiMatteo zou hem niet laten gaan. En welke kans had hij zelf ook om Hannah te vinden, zonder de opsporingscapaciteit van de politie?
‘Goed,’ zei hij toen maar. ‘Ik denk dat Hannah’s verdwijning te maken heeft met iets wat ze van mij gestolen heeft.’

Geen opmerkingen: