vrijdag 11 januari 2008
CLXXII
DiMatteo liet koffie brengen. Terwijl de inspecteur kleine slokjes nam uit zijn eigen beker, keek hij de man tegenover hem peinzend aan. Hij haatte de soms gebrekkige communicatie tussen hem en Thomas Brevers. In zijn moedertaal kon hij zich als geen ander uitdrukken en had hij een aantal beproefde technieken in zijn repertoire om mensen verklaringen af te laten leggen of te verhoren. Hij besefte maar al te goed dat zijn Engels, hoewel van een redelijk niveau, ontoereikend was om tot een gesprek met de Nederlander te komen. Die schreef nota bene geschiedenisboeken in het Engels. Hij roerde langzaam zijn koffie, tot het geluid van tikken van het lepeltje tegen de binnenkant van de beker hem begon te irriteren. Al die tijd had de man tegenover hem niets gezegd, maar afwezig in de verte gestaard. Wat moest hij van hem denken? Hij zag er bedrieglijk normaal uit. DiMatteo geloofde geen moment dat Brevers iets met de bloedvlekken te maken had, maar het was helder dat hij niet de volledige waarheid sprak over zijn bezoek aan Rome. Er was meer aan de hand en DiMatteo wilde dolgraag weten wat. Hij was geïntrigeerd door de "zaak", zoals hij het in gedachten noemde. DiMatteo was uitgekozen om een poging tot ontvoering van toeristen bij de Via Serpenti te behandelen, juist vanwege zijn goede Engels. En nu had hij een verdwenen vrouw en bloedsporen van twee personen in een nieuwe Mercedes op zijn bord. Bloed van de vrouw achterin, gezien het patroon mogelijk een bloedneus en bloed van een man tussen de voorstoelen, met twee plukjes bruine baardharen. DiMatteo hield van schema’s en overzichten. Hij had Brevers en de Mendel-zussen in het midden geplaatst, met grote vraagtekens bij de onbekende personen in de periferie. De ontvoerder, de man met de baard. Het was puzzelen.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten