vrijdag 4 januari 2008

CLXVII

‘Mevrouw Mendel, ik neem aan dat u een prettige terugvlucht heeft gehad?’
Ze was te verbaasd om te antwoorden en dus ging DiMatteo door.
‘Ik bel u in verband met uw zuster. Haar Mercedes was ineens verdwenen bij haar huis, beetje slordig van ons om die zomaar uit het oog te verliezen, maar we hebben hem inmiddels gevonden. Ik vrees dat ik geen goed nieuws voor u heb.’ Haar hart sloeg een slag over.
‘Bent u er nog?’
‘Ja ja, ik ben er nog. Hebt u haar gevonden?’
‘Nee. We hebben haar niet gevonden. Maar in de auto zaten bloedsporen. Van haar en van een onbekende man. Het lijkt er op dat er een vrij heftige worsteling heeft plaatsgevonden in de auto.’
Tamar bleef stil en wist niet wat ze moest denken of zeggen. ‘Die bloedsporen zijn niet van het ongeluk?’ vroeg ze.
‘Nee, wij denken van niet. Ik bel u omdat u familie bent en we u op de hoogte moeten houden. Heeft u nog iets van haar vernomen?’
Ze dacht aan het rare telefoontje in het restaurant, maar omdat ze niet eens zeker wist of dat Hannah wel was geweest hield ze haar mond over dit incident.
‘Nee. Ze heeft wel mijn moeder gebeld. Maar dat was een erg kort gesprek. We zijn er niet wijzer van geworden in ieder geval.’
‘Ok. Mevrouw Mendel, ik bel u weer als ik meer weet.’
‘Dat is goed om te horen’ zei Tamar, die eigenlijk geen enkele hoop had dat de politie een steek verder zou komen met dit onderzoek.
‘Nog een laatste vraag, mevrouw Mendel. Zat meneer Brevers met u in het vliegtuig.’ Ze bleef stil. Zouden ze het weten?
‘Nee, meneer. Hij vloog naar Amsterdam en ik naar Londen. Dus dat was vrij onmogelijk.’ Ze sprak de zin zo koel mogelijk uit. DiMatteo grinnikte aan de andere kant van de lijn ‘Ik houd u op de hoogte.’ Toen hing hij op.

Geen opmerkingen: