donderdag 6 december 2007

CXLVII

Ze zette de auto stil. Het had haar verbaasd hoe makkelijk ze op aanwijzing van Thomas hierheen was gereden. Zonder al te vaak fout te rijden hadden ze vrij eenvoudig de straat, in het hart van Rome, gevonden. De Via Giulia was lang. Ze stonden nu aan de zuidpunt van de straat. Een huizenblok naar links liep de Tiber. Aan de noordkant van de straat, aan de overkant van de rivier lag het Vaticaan. Aangezien ze geen nummer van het huis van Hannah hadden zouden ze de hele straat door moeten lopen op zoek naar aanwijzingen. Of zou rijden beter zijn? Ze startte zonder met Thomas te overleggen de auto weer. Thomas keek op van zijn telefoon. ‘We rijden er doorheen. Als er wat is zijn we makkelijker weg’. Stapvoets reed ze de straat door. Ergens zou de auto van Hannah moeten staan. Na 5 minuten zagen ze en politiebusje staan. Een agent stond ernaast. De deur van het huis waarvoor het busje stond, stond open. ‘Doorrijden’ zei Thomas. Pas halverwege de straat kwam ze erachter dat de straat een éénrichtingsweg was en ze tegen het verkeer in door de straat heen was gereden. Een auto kwam luid toeterend en veel te hard rijdend hun richting uit. Tamar sloeg snel de eerste de beste straat links in. Na een paar honderd meter moest ze rechtsaf slaan een brede weg langs de rivier op. Ze reed een stuk over de weg tot ze de eerste de beste straat weer rechtsaf kon nemen om zo terug te komen op de Via Giulia. Voordat ze die straat weer insloeg zette ze de auto stil op een lege plek. Via Acciaioli. Wat een belachelijke naam. ‘Zijn we makkelijk weg?’ Thomas trok zijn wenkbrauwen op. ’Je mag blij zijn dat die agent ons niet aanhield’.

Geen opmerkingen: