vrijdag 28 december 2007

CLXII

Het bleef even stil aan de andere kant van de telefoon. Thomas besloot de combinatie "moeder" en "tuinieren" te laten rusten als onderwerpen van gesprek.
‘Waarom heeft ze nu gebeld? Wat dat is me niet helemaal helder?’
Hij hoorde zijn vader snuiven. ‘Ze was weer half hysterisch, zoals gewoonlijk. Of dronken. En dat midden op de dag, ik zeg het je.’
Thomas kneep zijn ogen dicht en probeerde niet te reageren.
‘Het ging natuurlijk weer over Hannah,’ ging zijn vader verder. ‘Dat kind lijkt echt op haar moeder, met al die mood-swings.’
Opnieuw nam zijn vader een pauze, alsof hij rekende op een heftige ontkenning. Hij schraapte luidruchtig zijn keel in de hoorn. ‘Hannah zit blijkbaar in Rome. En nu ben jij met haar zus naar Rome toegegaan om haar te zoeken. En dat mens van Mendel dacht dat wij dit mede hadden bekokstoofd. Ergens onder haar half-beschuldigende verwardheid, leek ze zich zorgen te maken.’
Een schorre lach werd vanuit Wychen via moderne communicatietechnieken doorgeseind naar Rome.
‘Wat heb je geantwoord?’ vroeg Thomas voorzichtig.
‘Dat jullie allemaal volwassen mensen zijn, die hun eigen beslissingen nemen. En dat ik het vreemd vond dat zij zich zo overal mee bemoeit.’
‘Nou,’ begon hij voorzichtig tegen te sputteren, ‘Hannah is natuurlijk wel een tijd zoek geweest. Ik kan me voorstellen…’
‘Zal wel aan de opvoeding liggen. Zo’n kind laat ook niet voor niets zo lang niks van zich horen.’
En hoelang is het geleden dat ik thuis ben geweest, pap? dacht Thomas. Zwijgend op de bank, in beklemmende stiltes die alleen onderbroken werden door beleefde conversaties over "nog een kopje thee" of "neem een chocolaatje". Of de varianten, waarin zijn vader fulmineerde over zijn mislukte politieke carrière of zijn moeder over de tuin wauwelde.
‘Ik moet ophangen, pap.’
‘Tot snel.’
‘Tot snel, ja.’

Geen opmerkingen: