donderdag 18 oktober 2007

CXIII

‘Maar wat gaan we nu doen morgen met Hannah en die hanger?’
Ze zaten in de schaduw op het terras aan het pleintje waar ze eerder dat weekend ook hadden gezeten. Vanaf de Corso Vittorio Emanuele hadden ze een taxi genomen. Tamar had mogen kiezen waar ze heengingen, en dit had ze uitgekozen. Met een karaf water en een karaf koude witte wijn zaten ze ontspannen op het terras. Thomas zat onderuitgezakt in zijn stoel en zag er moe uit. Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht.
‘Ik weet het niet. Wat denk jij?’
Het leek Tamar zinloos op Hannah te wachten. Of ze zouden morgen samen met Paolo en Luigi bij die garage staan, of Paolo en Luigi hadden Hannah al lang gevonden. Thomas dacht niet dat de twee antiekliefhebbers Hannah al hadden gevonden. Dan had Luigi namelijk niet zo om Thomas heen lopen draaien die middag. En dat argument sneed hout volgens Tamar, en dus mijmerden ze samen verder. Het was Tamar die middenin een slok wijn ineens zei: ‘Zullen we Colin bellen, hij kent Paolo en Luigi toch? Of Wijnand?’
Thomas twijfelde. ‘Ik weet het niet. Enerzijds kunnen we wel wat extra informatie gebruiken, anderzijds wil ik niet teveel slapende honden wakker maken.’
‘Slapende honden wakker maken!!??’ riep Tamar. ‘In heel Rome is geen slapende hond meer te bekennen! Er zitten meer mannen achter mijn zus aan dan tijdens haar studententijd. En dat zegt wat!’
Thomas keek haar verschrikt en een beetje beledigd aan. Hij nam een grote slok witte wijn en zei: ‘Oké, je hebt wel gelijk.’
Thomas schonk zichzelf wat wijn bij.
‘Wie bellen we?’
Op dat moment zag Tamar aan de overkant van de straat een lange magere Italiaan met zijn rug tegen de muur staan. Hij stond aan zijn baardje te trekken.

Geen opmerkingen: