woensdag 12 september 2007

LXXXV

Nadat ze het hele museum waren doorgelopen en Thomas allerlei anekdotes over keizers, filosofen en goden had losgelaten op Tamar kwamen ze op een kleine, koele binnenplaats. Langs de muren rond de binnenplaats stonden beelden van faunen en goden. Tamar ging op de rand van een oude fontein zitten. Thomas trok zijn wenkbrauwen op ‘daar kun je niet zomaar op gaan zitten hoor’. Op dat moment kwam er uit de zuilengalerij tegenover haar een opgewonden Italiaan aangerend. Met wilde armgebaren begon hij tegen Tamar te praten. Ze keek hem verbaasd aan. ‘Zoals ik zei: je mag daar niet zitten’, zei Thomas droog. De opgewonden man draaide zich om. ‘Thomáas!’ riep hij uit. Thomas keek hem verschrikt aan. De man begon enthousiast in rap Italiaans tegen Thomas te brabbelen. Tamar bleef zitten en sloeg het schouwspel gade. De Italiaan was klein en dikkig. Zijn witte gekreukt overhemd plakte tegen zijn buik, zijn mouwen waren slordig opgerold. Hij had zwart haar met een kleine slag erin en een kapsel dat eigenlijk kort hoorde te zijn maar te lang niet was bijgeknipt. Hij droeg een bril met een zwart, enigszins verouderd montuur. Een versleten spijkerbroek uit de jaren tachtig werd omhooggehouden door een versleten zwart leren riem. Hij droeg zwarte schoenen met dikke zolen. Hij was absoluut niet het schoolvoorbeeld van een goedgeklede Italiaan. ‘Zoals ik zei Tamar, je mag daar niet zitten’, zei Thomas nu duidelijk geïrriteerd. Toen wende hij zich tot de Italiaan ‘Luigi, zei hij. Daarna volgde een hele reeks Italiaans zinnen die Tamar niet begreep. Ze stond langzaam op en liep naar Thomas en de man die dus blijkbaar Luigi heette. Demonstratief ging ze naast hen staan. Thomas leek haar niet te willen voorstellen, maar Luigi keek haar geïnteresseerd aan en gaf haar een hand. “Hannah?’ zei hij vragend.

Geen opmerkingen: