dinsdag 11 september 2007

LXXXIV

Ze hadden een taxi genomen. Het was warm, bijna 35 graden. Thomas veegde met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd toen hij uit de taxi onder aan de lange steile trap stapte. Tamar had zichtbaar moeite uit de taxi te stappen zonder dat ze in haar ondergoed stond. Ze had een korte donkergroene rok aan die strak over haar billen zat en daarna wat uitliep. Hij vond dat ze er erg aantrekkelijk uitzag. Ze keek samen met hem naar de steile trap. Zij had gekozen. Ze zouden vandaag de Capitolijnse musea gaan bekijken. ‘Zullen we dan maar?’ vroeg Tamar, duidelijk vrolijker dan aan het ontbijt. Misschien had ze er alleen maar tegenop gezien weer die stinkende Via Cavour af te moeten lopen. Misschien had hij haar slechte humeur overschat en was ze alleen moe. Had het niets met hem te maken.
Samen liepen ze de trap op. Boven aangekomen zaten op het kleine pleintje rond het beroemde standbeeld van Marcus Aurelius drommen toeristen. Ze staken het plein over naar het hoofdgebouw en begonnen hun rondgang door het museum. Het was er koel. En ondanks dat het buiten op het plein en de trappen vol zat met mensen was het museum bijna uitgestorven. In sommige zalen waren ze enigen. Dat gaf Thomas de tijd om aan Tamar bijzondere details en wetenswaardigheden te vertellen. Ze gingen eerst langs de Lupus. Daar was het wel druk. Maar bij het echte standbeeld van Marcus Aurelius, waar ze daarna heenliepen, stond alleen een Amerikaans echtpaar. Samen met het echtpaar liepen ze rondjes om het imposante beeld terwijl de Amerikaanse man onafgebroken met zijn filmcamera het beeld filmde en zijn vrouw, gewapend met zonneklep en heuptasje, achter hem aan dartelde en zin uitstootte waar een hoop ‘you know’s’ en ‘it's like …’ in voor kwamen.

Geen opmerkingen: