donderdag 19 juli 2007

LVII

En alweer regende het toen Tamar naar buiten moest. Het was half zes en met bakken werd er een tropische moesson over Londen uitgegoten. Dit was vast het natste jaar in eeuwen.
Onder haar parapluutje liep ze naar de metro. De halte die ze moest hebben was een eindje lopen, maar dan had ze tenminste een directe verbinding naar Marble Arch. Ze liep langs het standbeeld van Wellington naar de ingang van het station. Ze wurmde zich in een overvolle, dampende coupƩ om er zich zeven haltes later weer uit te wurmen.
Het was opgehouden met regenen en ze genoot van de frisse lucht die er in de stad hing. Het wandelingetje naar huis deed haar goed. Ze besloot zelfs een ommetje te maken door Oxford Street. Ze had een besluit genomen. Ze zou Thomas bellen en hem zeggen dat Hannah had gebeld. Hij verdiende het te weten dat ze weer contact had gezocht. Al bij al was hij er maar bekaaid vanaf gekomen. Eerst jarenlang leren leven met de grillen van een echt niet makkelijke dame, en vervolgens verlaat die dame je zonder een woord. Ze had groot medelijden met Thomas gehad. Zijn pogingen Hannah te vinden waren bij tijd en wijle volslagen zielig geweest. Dat zo’n jongen zo’n moeite deed voor iemand als Hannah verbaasde haar. Ze zou vanavond bellen met Thomas en misschien had hij een vermoeden waar in ItaliĆ« Hannah kon zijn.
De hele situatie, de spanning dat er na jaren eindelijk iets gebeurde, deed Tamar goed. Het mysterie van Hannah’s verdwijning, de schijnbaar onoplosbare puzzel, het doorbrak de sleur van alledag.
Thuis gekomen pakte Tamar haar mobiel uit haar rode, doorgestikte, Chanel look-a-like tas. Ze ging zitten op de bank en zocht het nummer van Thomas op in haar telefoon. Ze drukte op het groene telefoonhoorntje.

Geen opmerkingen: