‘Het heeft geen zin dat te ontkennen, denk ik,’ antwoordde Thomas.
‘Nee, dat denk ik ook niet.’
Colin zuchtte. ‘Je vindt haar niet. Dat heb ik je drie jaar geleden al gezegd. Hannah heeft ervoor gekozen onvindbaar te zijn. Zelfs in dit digitale tijdperk kan iemand voorkomen gevonden te worden. Wordt het niet eens tijd dat je deze obsessie achter je laat?’
‘Het is geen obsessie,’ sprak Thomas een gekweld gezicht. ‘Niet meer.’
‘Houd je nog van haar?’ vroeg Colin op strenge toon.
Thomas maakte een hulpeloos gebaartje. ‘Ik weet het niet. Eerst dacht ik van wel. Maar nu? Misschien, soms denk ik van wel. Maar ik heb haar drie jaar niet gezien. Ze is weggegaan. Zonder iets te zeggen.’
Thomas wreef vermoeid met één hand door zijn gezicht.
‘Ik wil in elk geval van haar weten waarom ze vertrokken is. Ik wil antwoorden.’
‘En je wilt je juweel terug,’ voegde zijn vriend er haast fluisterend aan toe.
Met een ruk kwam Thomas overeind uit zijn stoel. De drank klotste uit zijn glas op de grond. ‘Hoe weet jij dat?’ schreeuwde hij. ‘Wie heeft je dit verteld? Hoe…’
‘Rustig!’ Colins stem was als een zweepslag. ‘Ga zitten en luister, domme jongen.’
Trillend van woede liet Thomas zich terugzakken in zijn stoel. Nu pas realiseerde hij zich dat hij de whiskey over zijn hand had gegooid. Hij likte de drank van zijn handpalm en keek om zich heen of hij een doekje zag.
‘Laat maar liggen,’ zei Colin. ‘Dat komt wel in orde.’
Hij kuchte beleefd. ‘Ben je gekalmeerd? Ik wil dat je goed naar me luistert.’
Thomas klemde zijn kaken op elkaar en knikte stom. Tot zijn tevredenheid zag Colin dat zijn vriend zich ontspande. Ergens had hij wel medelijden met hem, maar ze moesten dit gesprek nu voeren.
maandag 25 juni 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten