vrijdag 8 juni 2007

XXVI

De beschrijving die Wil van de twee mannen had gegeven, bracht zelfs na terugkomst onder de douche een brede lach op zijn gezicht. "De dikke, zwetende kerel" sloeg overduidelijk op Wijnand en "een magere kalende vent" waarvan zijn buurvrouw zei dat ze die wel vaker had gezien, kon alleen maar Brian zijn. Waarschijnlijk waren ze langsgelopen om te kijken of hij mee wilde naar de kroeg. Wijnand moest wel erg om zijn gezelschap verlegen zitten, hij leefde voor zijn antiquariaat en was òf daar òf in de kroeg te vinden. Af en toe sliep hij ook nog een paar uur in zijn kleine, duur gemeubileerde appartement. Alle drie de locaties lagen op nog geen vijf minuten lopen van elkaar en met recht kon gezegd worden dat Wijnands leven zich binnen een straal van twee kilometer afspeelde. Het mocht een wonder heten dat Brian hem had weten mee te krijgen naar Thomas’ eigen appartement in de Van Aerssenstraat.

Hij draaide de waterkranen dicht en liep vals fluitend naar zijn kamer in het landhuis. Colin was nergens te bekennen. De logeerkamer met het onopgemaakte bed zag er nog net zo rommelig uit als toen hij was opgestaan. Voordat hij Tamar had weggebracht, was hij even teruggeweest om zich om te kleden, wat de chaos alleen maar vergroot had. Thomas zuchtte en ging op de rand van het bed zitten Zoveel logeerkamers, hotelkamers, slaapkamers van zijn losse vriendinnetjes. Hoeveel nachten had hij in zijn eigen slaapkamer doorgebracht? Onwillekeurig dacht hij weer aan Hannah en hoe vaak ze woedend voor hem had gestaan in wat hij haar "kippenhouding" noemde: licht voorover gebogen, haar vuisten gebald op haar heupen. Zoveel irritaties, zoveel discussies, zoveel ruzies. Maar had ze gelijk gehad? Was hij inderdaad een logé, een gast, overal waar hij was? Zelfs thuis?

Geen opmerkingen: