maandag 18 februari 2008

CXCVI

De hotelmedewerker achter de balie wist met veel misbaar, maar uiterst voorkomend, Thomas een veel duurdere kamer aan te smeren dat hij van plan was geweest te nemen. Hij wilde echter persé aan de Via Giulia zitten en daar maakte de receptionist dankbaar gebruik van. Beleefd bleef Thomas luisteren naar de ophemeling van het hotel, van de 15e eeuwse oorsprong, het supersnelle internet, het zwembad tot het uitstekende restaurant. Op zijn kamer aangekomen, liet hij zich vrijwel meteen achterover op het tweepersoonsbed vallen. Was Tamar maar hier, dacht hij na een tijdje. Hij draaide zich op zijn buik en tuurde uit het raam. In deze straat had Hannah dus maanden gewoond. Met die Grimani. Was het een patser geweest? Volgens Tamar had de man met het baardje er niet erg gedistingeerd uitgezien. Hij sloot zijn ogen.

Thomas schrok wakker van het trillen van zijn telefoon. ‘Ja?’ mompelde hij enigszins schor.
‘Meneer Brevers, hoe bevalt het bij de beschermheilige van Engeland?’ Het was DiMatteo. Op de display van zijn mobiel zag Thomas zag hij dat hij nog geen half uur geleden ingecheckt was.
‘Goed,’ antwoordde hij op zijn hoede. ‘Nog geen draken gezien.’
‘Waarom hebt u niet gemeld dat u ergens anders naartoe ging?’
‘Niet aan gedacht.’ Thomas ging rechtop zitten.
‘Ik hoor het liever van u zelf, dan dat erover wordt gerapporteerd,’ zei DiMatteo verwijtend. Hij leek echt gekwetst te zijn, alsof Thomas een jarenlange vriendschap had beschaamd.
‘Het spijt me.’
‘Zullen we een kop koffie drinken?’ vroeg de inspecteur. ‘Half uur, voor het Pantheon.’
‘Ik zal er zijn.’

Toen Thomas zich een weg had gebaand door rondhangende schoolklassen en schreeuwende kinderen, stond DiMatteo al op hem te wachten. Ze schudden handen.
‘Ook al is het extreem toeristisch,’ zei de politieman, ‘maar ik hou van de historie op deze plek.’

Geen opmerkingen: