dinsdag 5 februari 2008

CLXXXVIII

‘Wat?’ vroeg Thomas verward. Hij keek snel om zich heen. De terrassen zaten vol met keuvelende Romeinen. Toeristen likten aan ijsjes en liepen in de richting van de Fontana dei Quattro Fiumi. Op het oog zo geen handlangers te zien. Zou hij snel weg kunnen rennen? Waarom kwam hij telkens in deze situaties terecht in deze stad. Hoe wist Paolo dat hij hier was? Wie was hij echt?
‘Geen zorgen,’ sprak Paolo dringend. ‘Ik heb geen kwaad in de zin. Je weet wie ik ben?’
‘Paolo. Ik herkende je stem.’
‘Ja, dat klopt. Ik wil je helpen.’
Thomas ging rechtop zitten. Zijn rugzak duwde hij met zijn voet omhoog, zodat hij er makkelijker bij kon, als het nodig was.
‘Dat vind ik moeilijk om te geloven.’
Paolo keek hem verontschuldigend aan. ‘Er was te weinig tijd om het uit te leggen. Ik wilde jullie in veiligheid brengen.’
‘Oh?’ vroeg Thomas schor. Zijn hersenen draaiden overuren. Wat moest hij hier nu weer van denken? ‘Ga door,’ zei hij, terwijl hij steeds meer het gevoel kreeg dat hij in een film zat. Wat gebeurde er allemaal in hemelsnaam?
‘Jullie werden gevolgd. Misschien wel ontvoerd, net als Hannah Mendel. We moesten ingrijpen. Sorry dat het verkeerd werd opgevat, maar we hadden geen tijd om alles uit te leggen.’
Thomas voelde de woede in zich opborrelen. Wat was dit nu weer? Wie waren de ‘we’ waar Paolo het over had? En wie volgden hen dan?
‘Waar heb je het over?’ schreeuwde hij. ‘Ik word hier helemaal gek van!’ Hij voelde de blikken van mensen aan andere tafels. Hij zag dat de Italiaan tegenover hem ongemakkelijk heen en weer schoof op diens stoel. Zijn telefoon begon te trillen, vast Tamar die hem ging vertellen wie Alessandro Grimani was.
‘Waar is Hannah nu?’ vroeg hij verbeten.

Geen opmerkingen: