maandag 8 oktober 2007

CIV

Onwillig volgde Thomas de anderen naar het terras. Er stonden maar drie stoelen en Luigi ging op dringend verzoek van Bianca op zoek naar een vierde. Hij liet zich zakken in de dichtsbijzijnde stoel en nam zwijgend een glas wijn aan, dat hem door Tamar werd aangereikt. Zijn ogen staarden naar de wirwar van muurtjes, ramen, torens en koepels die het uitzicht vorm gaven, maar zonder daadwerkelijk iets in zich op te nemen.
Hij had verrekte weinig zin om hier zogenaamd gezellig te gaan zitten drinken. Hij was woedend op Luigi en Bianca, op Tamar, op Colin, maar vooral op zichzelf. Waarom had hij zich zo in de luren laten leggen? Hij had de belangrijkste feiten voor Tamar verzwegen, terwijl de mensen die hij als vrienden beschouwde, hem er gewoon bijgenaaid hadden door achter zijn rug om van alles met elkaar te bekonkelen. Zouden zij ook uit zijn op het juweel? En als Colin’s contactpersoon Paolo de informatie over Hannah ook naar derden had doorgespeeld? En wat als Wijnand’s antiquaire vriend met connecties met geweld zou proberen het juweel van Hannah af te nemen? Zou het niet mede zijn schuld zijn als Hannah in gevaar verkeerde? Als ze bedreigd of beroofd zou worden? De gedachte aan een bont en blauw geslagen Hannah, aan een Hannah zonder juweel, maakte hem misselijk. Hoe had hij zo stom kunnen zijn? Zou de lege doos die hij overal mee naartoe zeulde, ook leeg blijven? Wie had hij ook gedacht te zijn? Philip Marlowe? Robert Langdon? Indiana Jones? Thomas walgde van zichzelf en van zijn knullige en kinderachtige speurtocht.
Luigi kwam eindelijk terug met een stoel en kwakte die grommend naast de zijne neer. Thomas keek hem met afkeer aan, terwijl de Italiaan zijn voorhoofd afveegde.
‘Je geeft ons heel wat last, beste vriend.’
‘Pardon?’

Geen opmerkingen: