dinsdag 18 september 2007

XC

Thomas staarde onbehaaglijk terug in het grijnzende gezicht van Luigi. De Italiaan richtte zich nu op Tamar en begon in het Engels tegen haar te praten. Thomas liet zich wat in zijn stoel terugzakken en deed alsof hij het gesprek volgde. Waar had hij Luigi’s woorden over Tamar en het ‘voer voor psychologen’ eerder gehoord? Wie had dit eerder tegen hem gezegd? In bijna precies dezelfde bewoordingen? Colin? Wijnand? Luigi kende hen beiden. Probeerde de Italiaan hem de boodschap door te geven, dat hij met één van zijn vrienden gesproken had? Dat zou inhouden dat hij ook wist van het juweel en dat ze Hannah zochten. Luigi’s vollemaans gezicht straalde één en al opgewekte argeloosheid uit. Het voordeel van dikke mensen, dacht Thomas, is dat ze door hun ronde vormen en bolle wangen er onschuldiger uit zien, als een baby. Het was een cliché dat de schurken in literatuur en films scherpe gelaatstrekken hadden of een litteken in hun gezicht. Shakespeare had van Richard III een dikzak moeten maken, in plaats van een gebochelde met een verwrongen arm.

Waarom kon hij zich nu niet herinneren in welke context zoiets eerder tegen hem gezegd was. Was hij nu zichzelf gek aan het maken omdat hij steeds meer twijfelde aan het toeval dat Luigi met hen hier op een terras zat?
‘Waarom was je eigenlijk op zondag in het museum?’ vroeg hij ineens in het Italiaans. Luigi draaide langzaam zijn hoofd om. ‘Ik was aan het werk.’
‘Op zondag? Tijdens de zomer? Zal Bianca leuk vinden.’
‘Er was iemand ziek geworden. Ik val in,’ zei de Italiaan met een verontschuldigende glimlach. Toch wat terughoudendheid in zijn stem. Of was het zijn verbeelding?
‘Is Bianca hier in de stad?’
Luigi knikte.
‘Weet je,’ zei Thomas zo onschuldig mogelijk, ‘zullen we daar langs gaan?’

Geen opmerkingen: